14/2578 ZW Datum uitspraak: 16 maart 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2014, 13/5698 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de besloten vennootschap [werkgeefster B.V.] (werkgeefster) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens werkgeefster heeft mr. M.H. Feiken, advocaat, een zienswijze ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz. Namens werkgeefster is verschenen mr. C.A. van der Steen, kantoorgenoot van mr. Feiken. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was met ingang van 6 juni 2011 via werkgeefster voor 40 uur per week werkzaam als administratief medewerker bij een copyshop. Op 8 augustus 2011 is appellant uitgevallen met psychische klachten. Het dienstverband tussen appellant en werkgeefster is op 3 juni 2012 beëindigd. Bij brief van 31 mei 2012 heeft werkgeefster dit bevestigd aan appellant en hierin verder geschreven: “Gezien het feit dat jij ten tijd van het einde van het contract nog niet hersteld bent, hebben we jouw ziekmelding doorgegeven aan Acture. Indien je vragen hebt over je ziek uit dienst melding kan je contact opnemen met Acture (…)” 1.2. Werkgeefster is een eigenrisicodrager en heeft Acture B.V. (Acture) ingeschakeld als private uitvoerder van haar werkzaamheden voor de Ziektewet (ZW). 1.3. Op 4 juni 2012 heeft een arts van ArboNed, H. Bonninga (arbo-arts), appellant gezien. In zijn rapport van dezelfde datum schrijft de arbo-arts het volgende: “16042012 SU arts: gaat redelijk goed 2 weken terug nog wel enorme paniekaanval > naar HA geweest; gerustgesteld vorige week nogh keelontsteking (med …) 4/6 afspraak voor gastroscopie ivm aanhoudende maagklachten therapei: groepsessies afgelopen na 10 weken kan bij andere groep aansluiten voor een vervolg en dat wil hij wel individuele begeleiding mw Rotteveel blijft ook nog doorgaan heeft binnenkort nog wel afspraak met psychoiater medicatie ja dan nee concl: stabiliseert > mogelijkheden voor re-integratie, is hij mee eens advies om de dag 3 x 4 uur en uitbreiden 04062012 SU arts: gaat wel beter; wil ook weer werken; had zich ook gemeld bij consulent maar niets meer gehoord solliciteert wel kan wel werken maar heeft beperkingen in mentale belastbaarheid; dat zal ik opstellen PsyQ: 2e serie groepsessie afgerond; ook individuele begeleiding wel klaar; maar zou nog gesprek met mw Rotteveel moeten hebben en met arts: medicatie? vervolgbehandeling? moet zelf afspraak daarvoor maken; niet gedaan druk doende baan te zoeken advies gegeven om afspraken PsyQ toch te maken Prognose goed; inzetbaar in passend werk; stressbestendigheid zal mogelijk lager dan gemiddeld blijven” 1.4. Op 8 juni 2012 heeft Acture namens werkgeefster bij het Uwv op basis van het einde dienstverband aangifte gedaan dat appellant vanaf 8 augustus 2011 tot en met 3 juni 2012 en vanaf 4 juni 2012 tot en met heden als gevolg van ziekte niet in staat is om zijn arbeid te verrichten. 1.5. Appellant heeft na 4 juni 2012 feitelijk geen ziekengeld ontvangen, heeft nadien niet gewerkt en is uiteindelijk in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. 1.6. Op 22 november 2012 heeft appellant bij Acture gemeld dat hij sinds 8 augustus 2011 doorlopend arbeidsongeschikt is. Hierop heeft Acture aan Ergatis Medisch Expertise Centrum (Ergatis) verzocht om een onderzoek in te stellen naar de geschiktheid van appellant voor zijn arbeid op 4 juni 2012 en in de nawerkingsperiode van 28 dagen na 4 juni 2012. 1.7. In een arbeidsgeneeskundig rapport van 21 januari 2013 van Ergatis is tot uitgangspunt genomen dat appellant op 4 juni 2012 ziek uit dienst is gegaan, maar ook hersteld werd gemeld en dat appellant hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. Vervolgens wordt op grond van de onderzoeksbevindingen en informatie van de huisarts geconcludeerd dat in de 28 dagen na 4 juni 2012 doorlopende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van psychische klachten niet kan worden aangetoond. 1.8. Vervolgens heeft Acture, namens werkgeefster, op 23 januari 2013 bij het Uwv een “Verzoek om een beslissing over de Ziektewet-uitkering voor eigen risicodrager Ziektewet” ingediend. Op dit formulier is bij rubriek “3.1 Wat is de reden voor dit verzoek?” aangekruist het hokje waarin staat vermeld: “Hersteld verklaard door arbo-arts > Mail het formulier nog op dezelfde dag aan UWV” Bij de rubriek “4.1 Wat is uw advies tot afgifte van een beschikking” staat het volgende vermeld: “Verzekerde claimt op 22-11-2012 doorlopende arbeidsongeschiktheid met terugwerkende kracht m.b.t. 08-08-2011. Verzekerde is op 26-11-2012 aangemeld voor een arbeidsgeneeskundig onderzoek bij Ergatis Medisch Expertise Centrum. Conform advies bedrijfsarts graag een beschikking hersteld per 04-06-2012.” 2.1. Bij besluit van 25 januari 2013 heeft het Uwv appellant bericht dat hij op en na 4 juni 2012 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij daarom met ingang van deze datum geen recht heeft op een ZW-uitkering. Onder dit besluit staat vermeld dat als appellant het niet eens is met deze beslissing hij voor 8 maart 2013 een bezwaarschrift kan indienen. 2.2. Namens appellant is op 14 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen dit besluit, onder aanvoering dat appellant nooit volledig geschikt is geacht voor zijn arbeid en dat hij ook nooit een beschikking heeft gehad dat hij hersteld werd verklaard. Dit bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 3 juni 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 mei 2013. Blijkens dit rapport is de verzekeringsarts bezwaar en beroep er bij zijn onderzoek van uitgegaan dat appellant op 4 juni 2012 hersteld is verklaard. 3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Werkgeefster heeft als derde belanghebbende aan het geding deelgenomen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank kort samengevat overwogen dat er geen grond is om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft geen medische stukken in het geding gebracht, die erop wijzen dat hij op 4 juni 2012 niet in staat zou zijn om zijn arbeid te verrichten. Appellant heeft weliswaar gewezen op het verslag van de arbo-arts, die appellant op 4 juni 2012 heeft gezien, maar uit dat verslag blijkt niet dat deze arts appellant op die datum volledig arbeidsongeschikt heeft geacht. 4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij op en na 4 juni 2012 niet ongeschikt was voor zijn werk. Volgens appellant heeft de rechtbank bij dit oordeel een verkeerde toets aangelegd door te overwegen dat uit het verslag van de arbo-arts niet blijkt dat hij volledig arbeidsongeschikt was per 4 juni 2012. Dit is immers niet het criterium voor de vaststelling of sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW. Op die datum was appellant wegens psychische klachten nog steeds niet in staat zijn arbeid te verrichten. Appellant meent dat zijn ZW-uitkering ten onrechte met terugwerkende kracht is ingetrokken. 4.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv heeft de arbo-arts op 4 juni 2012 vastgesteld dat appellant weer arbeidsgeschikt was en is ook appellant zelf van oordeel geweest dat hij vanaf 4 juni 2012 weer arbeidsgeschikt was. Hij wilde immers weer werken, had zich bij de consulent gemeld en solliciteerde naar passende arbeid. Er is geen sprake van een intrekking van ZW-uitkering met terugwerkende kracht. De ziek uit dienst-melding van Acture is een vervolg geweest op de melding van werkgeefster en heeft plaats gevonden voordat kennis was genomen van de bevindingen van de de arbo-arts op 4 juni 2012 dat appellant kon werken met in aanmerkingneming van grenzen in zijn mentale belastbaarheid. 4.3. Werkgeefster heeft er in haar zienswijze op gewezen dat het besluit van 25 januari 2013 een besluit betreft, waartegen op grond van het bepaalde in de artikelen 75j en 75k van de ZW slechts een termijn van twee weken openstond om bezwaar te maken. Het namens appellant ingediende bezwaarschrift dateert van 14 februari 2013 en is dus na afloop van de bezwaartermijn ingediend. De rechtbank heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over de ontvankelijkheid van het bezwaar. Voor het overige heeft werkgeefster het standpunt van het Uwv onderschreven. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.1. Eerst moet worden beantwoord de vraag of het Uwv appellant terecht ontvankelijk heeft geacht in zijn bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2013. 5.1.1. Aangezien het hier een geschil van geneeskundige aard betreft over het al dan niet bestaan of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken, zoals bedoeld in artikel 75j van de ZW, en het geschil geen betrekking heeft op een beoordeling als bedoeld in artikel 19ab van de ZW, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op grond van artikel 75k van de ZW twee weken. Dat betekent dat de termijn om bezwaar te maken tegen het besluit van 25 januari 2013 eindigde op 8 februari 2013. 5.1.2. Appellant heeft op 14 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 januari 2013 en dus niet binnen de voorgeschreven termijn van twee weken. Deze termijnoverschrijding is evenwel verschoonbaar zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het besluit van 25 januari 2013 bevat namelijk een onjuiste rechtsmiddelclausule. Ten onrechte is hierin uitgegaan van een bezwaartermijn van zes weken in plaats van twee weken door te vermelden dat appellant voor 8 maart 2013 bezwaar kan maken. In beginsel moet een belanghebbende kunnen afgaan op de juistheid van aan hem verstrekte voorlichting. Indien een rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen, mag daarop, behoudens kennelijke misslagen, uit een oogpunt van rechtszekerheid worden vertrouwd, ook indien de belanghebbende wordt bijgestaan door een beroepsmatige rechtshulpverlener (vergelijk ECLI:NL:RVS:2012:BX6500). Appellant heeft ruim binnen de genoemde termijn bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant dan ook terecht ontvankelijk geacht. 5.2. Vervolgens is aan de orde de vraag of het Uwv op het verzoek van werkgeefster terecht heeft beslist dat appellant met ingang van 4 juni 2012 geen recht heeft op ZW-uitkering, omdat hij per die datum geschikt wordt geacht voor het verrichten van zijn arbeid. 5.3. In het kader van dit geschil is van belang dat werkgeefster een eigenrisicodrager is en dat het Uwv en werkgeefster ieder hun eigen verantwoordelijkheden en taken hebben bij te nemen besluiten over de ZW. Bij de totstandkoming van de Wet eigenrisicodragen Ziektewet is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2000/01, 27 873, nr. 3, blz. 3) de verantwoordelijkheid van het Uwv als volgt omschreven: “Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van de ZW en geeft een besluit af waartegen bezwaar door de belanghebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.