12/6897 WIA-S Datum uitspraak: 23 maart 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: de curator in het faillissement van [naam B.V.] te [vestigingsplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 11 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:861, heeft de Raad uitspraak gedaan op het hoger beroep dat verzoeker had ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 november 2012, 12/3335. De Raad heeft bij zijn uitspraak onder meer bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding. Partijen hebben over en weer hun standpunten uiteengezet. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1. Bij de uitspraak van 11 maart 2015 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 november 2012 en de beslissing op bezwaar van 25 juni 2012 vernietigd. De Raad heeft het besluit van 27 januari 2012, waarbij het Uwv aan verzoeker met toepassing van artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een zogenoemde loonsanctie had opgelegd, herroepen, omdat naar het oordeel van de Raad niet kon worden volgehouden dat verzoeker kansen om [X.] (werknemer) te re-integreren had gemist. Bij de uitspraak van 11 maart 2015 is het Uwv veroordeeld in de kosten van verzoeker. 2. Verzoeker heeft gesteld dat hij als gevolg van de ten onrechte opgelegde loonsanctie schade heeft geleden tot een bedrag van € 29.135,03 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2013. Het schadebedrag is volgens verzoeker opgebouwd uit: a. een bedrag van € 22.722,20 en een bedrag van € 513,50 aan loon tijdens ziekte, b. een bedrag van € 628,14 aan vakantietoeslag, c. een bedrag van € 4.174,80 aan afdrachten sectorfonds, WW-AWF, WAOWIA, WAOWGA en ZVW, d. een bedrag van € 1.092,- aan pensioenpremie en e. een bedrag van € 300,- aan onbelaste onkostenvergoeding. 3. Het Uwv heeft zijn gehoudenheid tot vergoeding van het in 2 onder c genoemde bedrag erkend, maar heeft betwist dat hij de overige bedragen aan verzoeker is verschuldigd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 juli 2013. 4.2. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (onder meer de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446). 4.3. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat indien een overheidslichaam een besluit neemt dat naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling, het jegens de door die beschikking getroffene een onrechtmatige daad begaat. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE9369, BE9370 en BE9388). In deze zaak is niet in geschil dat het Uwv aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [naam B.V.] (werkgeefster) als gevolg van het onrechtmatige besluit van 27 januari 2012 heeft geleden omdat zij ten onrechte gedurende de periode van de loonsanctie, onder instandhouding van de arbeidsovereenkomst met werknemer, haar betalingsverplichtingen jegens hem heeft moeten voortzetten. 4.4. Als beginsel geldt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (vergelijk ECLI:NL:HR:2010:BL0539). 4.5. In zijn uitspraak van 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4236, heeft de Raad nader uiteengezet langs welke lijn moet worden beoordeeld of betalingen die een werkgever gedurende de periode van een onterechte loonsanctie heeft gedaan in zodanig verband staan met de uit artikel 7:629, eerste lid, van het BW voortvloeiende verplichting tot loondoorbetaling dat de door een werkgever opgevoerde schadeposten als gevolg van het onrechtmatige besluit aan het Uwv kunnen worden toegerekend en voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komen. In deze uitspraak is onder meer overwogen: “De wettelijke regeling van de loonsanctie in de Wet WIA en het BW verplicht de werkgever bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst het naar tijdruimte vastgestelde loon zoals bepaald in artikel 7:629, eerste lid van het BW, voort te zetten. De instandhouding van de door de werkgever en de werknemer gesloten overeenkomst brengt mee dat er een rechtstreeks verband is met de opgelegde loonsanctie voor zover het gaat om betalingen waartoe de werkgever uit hoofde van die overeenkomst gedurende het derde ziektejaar verplicht was. Het gaat daarbij om betalingen die voortvloeien uit afspraken die werkgever en werknemer hebben gemaakt over de verplichtingen en inspanningen van de werkgever die zullen gelden in het derde ziektejaar en die voldoende concreet zijn en door de werknemer zijn af te dwingen. Voor zover het gaat om betalingen in verband met de voortzetting van het dienstverband waartoe de werkgever zich in het kader van de arbeidsovereenkomst niet heeft verplicht, kan het Uwv worden gevolgd in de opvatting dat die betalingen niet hun oorzaak vinden in de opgelegde loonsanctie. Voor zover de werkgever in het derde ziektejaar betalingen heeft verricht waartoe hij niet op grond van een individuele of (algemeen verbindend verklaarde) collectieve arbeidsovereenkomst gehouden was of die niet rechtstreeks voortvloeien uit zijn re-integratieverplichtingen kan in het geval van een ten onrechte opgelegde loonsanctie niet worden gezegd dat wat betaald is een op het Uwv te verhalen schadepost is.” 4.6. In de door werkgeefster met werknemer gesloten arbeidsovereenkomst is bepaald dat op die overeenkomst onder meer de “Regelingen Secundaire Arbeidsvoorwaarden van [naam B.V.]” van toepassing zijn. Het door verzoeker overgelegde artikel 2.4 “Salaris bij ziekte” van deze arbeidsvoorwaarden luidt voor zover van belang: “Doorbetaling van loon bij ziekte: De werknemer die wegens ziekte niet in staat is te werken behoudt met inachtneming van een wachtdag per ziektegeval, gedurende een periode van 104 weken aanspraak op loon doorbetaling:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.