← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:1450

15/603 WUV Datum uitspraak: 21 april 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [Appellant] te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika (appellant) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 december 2014, kenmerk BZ01753087 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart

  1. Daar is namens appellant verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is geboren in 1934 in het toenmalig Nederlands-Indië. In april 2013 heeft hij verzocht om aanspraken op grond van de Wuv. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 28 februari 2014 op de grond dat niet vastgesteld kan worden dat appellant vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Evenmin heeft verweerder aanleiding gezien appellant met de vervolgde gelijk te stellen, omdat bij appellant geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het omkomen van zijn vader. Het tegen het besluit van 28 februari 2014 ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. 1.
  3. In beroep is betoogd dat appellant een aantal dagen in een militair kampement gevangen heeft gezeten en nadien ondergedoken is geweest om als zoon van een KNIL-militair aan vervolging te ontkomen. Onder verwijzing naar een medisch advies van de arts G.J. Laatsch is verder gesteld dat er bij appellant sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) die redelijkerwijs kan worden toegeschreven aan het omkomen van zijn vader.
  4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 2.
  5. Ook voor de Raad is niet aannemelijk geworden dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. In het sociaal rapport geeft appellant aan niet in een Japans interneringkamp te hebben verbleven. De zus van appellant, [naam zus], heeft in haar sociaal rapport gesteld dat het gezin woonde in een woning op het militair kampement en dat zij daar, nadat de vader krijgsgevangen was gemaakt, twee dagen min of meer gevangen hebben gezeten. Ook die aanvraag is afgewezen omdat niet vastgesteld kon worden dat zij vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. De moeder van appellant heeft in het kader van haar aanvraag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) verklaard dat zij - nadat haar echtgenoot werd geïnterneerd - gedwongen was het kazerneterrein te verlaten. Zij maakt geen melding van een internering. Verder is het niet aannemelijk geworden dat appellant heeft moeten onderduiken om aan vervolging te ontkomen. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt niet dat appellant zich min of meer stelselmatig (fysiek) aan het openbare leven heeft onttrokken. Appellant heeft vermeld als hoeder van karbouwen te hebben gefunctioneerd. Dat is niet op een lijn te stellen met een onderduiksituatie, waarin in het geheel niet meer aan het openbare leven wordt deelgenomen. 2.2.
  6. Wat betreft de vraag of appellant met de vervolgde kan worden gelijkgesteld gaat het er om hij ziekten of gebreken heeft die redelijkerwijs in verband staan met het omkomen van zijn vader. 2.2.
  7. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om appellant met de vervolgde gelijk te stellen is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten op de resultaten van een onderzoek door psychiater W. Taff. In de bezwaarprocedure is daarbij ook betrokken de ontvangen informatie van de huisarts van appellant, de arts B.L. Nguyen. In de medische adviezen is geconcludeerd dat bij appellant geen sprake is van een psychiatrische stoornis of ziekte. De informatie van de huisarts Nguyen heeft in bezwaar de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager geen aanleiding gegeven een ander standpunt in te nemen. 2.2.
  8. De Raad acht het bestreden besluit op grond deze medische advisering deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs heeft ingenomen. Anders dan namens appellant is bepleit kan het op basis van een dossieronderzoek tot stand gekomen medisch advies van de arts Laatsch hier niet tot een ander oordeel leiden. De arts Laatsch baseert zijn bevindingen dat bij appellant sprake is van een PTSS die redelijkerwijs kan worden toegeschreven aan het omkomen van de vader van appellant, uitsluitend op de verklaring van 8 juli 2014 van de huisarts Nguyen, die op basis van ongedocumenteerde gesprekken heeft geconcludeerd dat appellant klachten heeft als gevolg van een PTSS. Deze klachten worden door de huisarts niet benoemd in zijn brieven van onder meer 29 juli
  9. Verder vermeldt de huisarts Nguyen ten onrechte dat appellant onder psychiatrische behandeling is. Bovendien is een huisarts niet gespecialiseerd in het diagnosticeren van psychische klachten. Dit alles moet ertoe leiden dat aan het alleen aan de informatie van de huisarts ontleende advies van de arts Laatsch niet die waarde kan worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien. De Raad ziet evenmin aanwijzingen voor het oordeel dat het onderzoek van psychiater Taff onzorgvuldig of te kort is geweest om tot een gefundeerd oordeel te kunnen komen. 2.
  10. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april
  12. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) C. Moustaïne HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.