14/7170 WIA Datum uitspraak: 26 april 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 november 2014, 14/2686 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart
- Appellante is niet verschenen. Haar gemachtigde is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als leerkracht basisonderwijs voor 22,76 uur per week. Op 14 juni 2010 is zij uitgevallen voor haar werk vanwege pijnklachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellante per einde wachttijd (11 juni 2012) recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%, tot maximaal 11 februari
- 1.
- Bij besluit van 18 november 2013 heeft het Uwv na medisch en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat appellantes arbeidsongeschiktheid per 11 februari 2014 minder dan 35% bedraagt en dat zij om die reden met ingang van die datum geen recht heeft op een vervolguitkering. Na bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 12 maart 2014 (bestreden besluit) de beëindiging van de uitkering per 11 februari 2014 gehandhaafd.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, met veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het door appellante betaalde griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat naar haar oordeel het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelende sector zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Voorts is niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat voldoende is gemotiveerd dat de belasting in de voor appellante geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid niet overschrijdt.
- In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij per 11 februari 2014 nog steeds 80 tot 100% arbeidsongeschikt was, dat de verzekeringsartsen te weinig beperkingen in aanmerking hebben genomen en dat zij per 11 februari 2014 niet in staat was de voor haar geselecteerde functies te vervullen omdat zij in een rolstoel zit. 4.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd. In hoger beroep is geen toelichting gegeven aan de hand van medische verklaringen voor de stelling dat appellante meer beperkt was dan door de verzekeringsartsen is aangenomen en neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 4 maart
- Dat rolstoelgebruik niet in de weg stond aan de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies studie- en beroepskeuze adviseur, schadecorrespondent en boekhouder is door de arbeidsdeskundigen in hun rapporten van 3 april 2013 en 3 oktober 2014 overtuigend gemotiveerd. 4.
- Uit wat in 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april
- (getekend) B.M. van Dun (getekend) B. Dogan MO