15/1871 AW Datum uitspraak: 28 april 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 januari 2015, 14/3217 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Vianen (college) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. M. Vaessen, advocaat, de gronden van het hoger beroep aangevuld. Namens het college heeft mr. J.W.C. van Kleef een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vaessen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Kleef en R.J. Bijmans. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was sinds 1 maart 1999 werkzaam bij de gemeente Vianen (gemeente) als [medewerker 1] 1.2. Appellant is op 25 mei 2010 uitgevallen met psychische klachten. Aanleiding was een negatieve beoordeling van zijn functioneren waar hij het niet mee eens was. Op 20 juni 2011 heeft het college deze beoordeling in de daarover gevoerde beroepsprocedure bij de rechtbank ingetrokken. Dit heeft niet geleid tot onmiddellijke werkhervatting. Appellant heeft het verrichten van tijdelijke werkzaamheden in het zwembad en de bodedienst geweigerd. Op advies van de bedrijfsarts heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 23 september 2011. In dat rapport constateert arbeidsdeskundige M dat zowel de werkgever als appellant te kennen hebben gegeven dat zij niet verwachten dat appellant duurzaam kan re-integreren binnen de eigen organisatie omdat er te veel is gebeurd. De arbeidsdeskundige heeft geadviseerd een extern re-integratietraject op te starten en daarbij een re-integratiebedrijf in te zetten. Appellant heeft op 1 november 2011 een intakegesprek gehad met een mobiliteitscoach van een re-integratiebedrijf en daarbij te kennen gegeven dat, hoewel een nieuwe start bij een andere werkgever het allerbeste zou zijn, hij het werken bij de gemeente niet uitsluit. Op 15 december 2011 heeft appellant de bedrijfsarts en zijn casemanager meegedeeld dat hij zich weer in staat acht bij de gemeente te re-integreren en op 3 januari 2012 heeft hij daartoe bij het college een verzoek ingediend. Op 17 januari 2012 heeft de bedrijfsarts gemeld dat er medisch gezien geen belemmeringen zijn voor re-integratie van appellant bij de eigen werkgever. Bij besluit van 24 januari 2012 heeft het college het verzoek van appellant afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bij besluit van 8 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 augustus 2012, de gemeente een loonsanctie opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de gemeente onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden om appellant binnen de eigen organisatie te re-integreren. Op 12 april 2013 heeft de rechtbank het beroep van de gemeente tegen het besluit van 20 augustus 2012 ongegrond verklaard. In de periode van 2 mei 2012 tot 2 augustus 2012 heeft appellant gewerkt op een werkervaringsplaats bij een biologisch agrarisch bedrijf. 1.3. Na het opleggen van de loonsanctie heeft het college ervoor gekozen appellant niet onmiddellijk binnen de eigen organisatie te laten re-integreren, maar om een externe arbeidsdeskundige advies te laten uitbrengen over de bij de re-integratie van appellant te volgen lijn. Op 2 oktober 2012 heeft arbeidsdeskundige F rapport uitgebracht. In dat rapport komt F tot de conclusie dat, gelet op de gestelde beperkingen voor appellant, het eigen werk passend is, maar dat wel voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan om duurzaamheid van de re-integratie te waarborgen. Deze voorwaarden zijn dat sprake is van een éénduidige aansturing, dat op de juiste manier wordt gecommuniceerd, dat appellant aandacht besteedt aan zijn houding ten opzichte van leidinggevenden en collega’s, dat appellant meer zicht krijgt in wat zijn aandeel is in hoe anderen op hem reageren, dat appellant door zijn chef wordt geherintroduceerd op de afdeling en dat duidelijkheid bestaat over de inhoud van zijn taak en het juiste werktempo. Voorts acht F het in het kader van het streven naar duurzaamheid noodzakelijk dat gedurende de eerste fase van de re-integratie een externe deskundige zorg draagt voor een intensieve begeleiding/coaching. De door appellant uitgekozen arbeidsdeskundige W heeft in een op 30 oktober 2012 uitgebracht rapport instemmend gereageerd op het rapport van F. Op 26 november 2012 heeft appellant aan het college te kennen gegeven dat hij, behoudens een kanttekening over de functionele mogelijkhedenlijst, kan instemmen met de rapportages van F en W. Bij brief van 29 november 2012 heeft het college appellant meegedeeld dat het kan instemmen met de hiervoor weergegeven conclusie van het rapport van F. In de brief wordt verder vermeld dat het college de externe deskundige zal aanwijzen, uiteraard nadat appellant met hem of haar heeft kunnen kennismaken en zij beiden van mening zijn dat sprake zal kunnen zijn van een vruchtbare samenwerking en daartoe een voldoende vertrouwensbasis mag worden verondersteld. Het college stelt appellant voor om in een gesprek nader inhoud en vorm te geven aan de voorwaarden voor re-integratie. Het betreffende gesprek heeft op 18 december 2012 plaatsgevonden. Toen is afgesproken dat appellant op 7 januari 2013 zijn werkzaamheden gedeeltelijk zal hervatten. Verder is appellant te kennen gegeven dat Van W zal zorgdragen voor de begeleiding en dat de gesprekken tussen appellant en Van W op het gemeentehuis in Vianen zullen plaatsvinden. 1.4. Appellant heeft op 7 januari 2013 zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Op advies van de bedrijfsarts van 25 februari 2013 heeft een geleidelijke opbouw van de werkzaamheden plaatsgevonden. Met ingang van 24 april 2013 werkte appellant gedurende 40 uur per week. Bij besluit van 14 mei 2013 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia) met ingang van 21 mei 2013 afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat geen sprake is van ziekte of gebrek en dat appellant in staat is normaal te functioneren, ook in eigen werk. Appellant heeft het college op 20 mei 2013 gemeld dat hij met ingang van 21 mei 2013 volledig hersteld is. Bij e-mailbericht van 2 juni 2013 heeft hij om een bevestiging van zijn hersteldmelding gevraagd. Bij brief van 29 juni 2013 heeft appellant het college te kennen gegeven dat hij nog steeds geen reactie heeft gehad en dat hij van het Uwv heeft vernomen dat de werkgever tegen het besluit van 14 mei 2013 bezwaar heeft gemaakt. Bij brief van 2 juli 2013 heeft het college appellant te kennen gegeven dat hij voor arbeidsongeschikt wordt gehouden omdat hij nog niet alle werkzaamheden van zijn functie verricht en omdat sprake is van begeleiding die noodzakelijk is om de duurzaamheid van de re-integratie van appellant te borgen en speciale instructies voor de leidinggevenden van appellant over het verstrekken en monitoren van werkopdrachten. Bij besluit van 25 november 2013 heeft het Uwv het bezwaar van de gemeente tegen het besluit van 14 mei 2013 ongegrond verklaard. 1.5. Nadat appellant eerder een afspraak om op 28 januari 2013 naar Van W in Zwolle te komen had afgezegd, heeft het college hem bij brief van 14 januari 2013 te kennen gegeven dat de eerder gemaakte afspraak doorgang zal moeten vinden. Appellant heeft daaraan gehoor gegeven. Op 11 februari 2013 heeft Van W bij appellant een psychologisch onderzoek uitgevoerd. Daarna heeft hij met appellant diverse gesprekken in Zwolle gevoerd. Op 3 juni 2013 heeft appellant het college te kennen gegeven dat hij die dag bij de psycholoog (bedoeld is: Van W) in Zwolle is geweest, dat hij met hem wilde bespreken dat hij een andere voorstelling van het coachingstraject had en dat dit tot een woordenwisseling heeft geleid. Appellant deelt mee dat een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan en dat verdere coaching door deze psycholoog alleen maar tot meer spanningen leidt. Naar aanleiding daarvan hebben op 24 juni 2013 en 18 juli 2013 gesprekken plaatsgevonden over de ontstane situatie. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat van het wisselen van begeleider of coach geen sprake kan zijn. Appellant heeft het college vervolgens op 23 juli 2013 laten weten dat hij het begeleidingstraject met Van W zal voortzetten. Hij heeft daarbij melding gemaakt van de twijfels die hij bij de begeleiding heeft. Bij brief van 22 augustus 2013 heeft het college van appellant geëist dat hij ten volle en zonder enige terughoudendheid medewerking aan de begeleiding zal verlenen en dat de wijze waarop hij zich opstelt niet wordt geduld. Appellant is verzocht de brief voor gezien getekend te retourneren als blijk van begrip onder welke eisen en voorwaarden het begeleidingstraject zal worden voortgezet. Appellant heeft op 2 september 2013 de brief voor ontvangst getekend en geretourneerd aan het college en nog diezelfde dag een afspraak gemaakt met Van W voor 20 september 2013. Bij brieven van 3 en 13 september 2013 heeft het college er bij appellant op aangedrongen de genoemde brief alsnog onvoorwaardelijk voor gezien te ondertekenen en daarmee de eisen en voorwaarden waaronder het begeleidingtraject met Van W wordt voortgezet te onderschrijven. Doet hij dat niet, dan kan van voortzetting van dat traject geen sprake zijn. Op 16 september 2013 heeft appellant de afspraak met Van W op 20 september 2013 afgezegd. Bij brief van 20 september 2013 heeft appellant het college meegedeeld dat hij twijfels heeft bij de begeleiding door Van W, dat hij door het college voor het blok gezet wordt en dat hij het begeleidingstraject met Van W niet wenst voort te zetten. 1.6. Nadat het college een voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 3 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 april 2014 (bestreden besluit), appellant ontslag verleend op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). De ingangsdatum van het ontslag is daarbij gesteld op 5 december 2013. Het college heeft het ontslag vergezeld laten gaan van toekenning van een aanspraak (garantie) op een ontslaguitkering die gelijk is aan de op basis van de Werkloosheidswet (WW) berekende uitkering (werkloosheidsuitkering) en de aanvullende uitkering als bedoeld in paragraaf 6 van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO. Daarnaast heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld tot een bedrag van € 7.500,-, exclusief BTW gebruik te maken van begeleiding door een coach naar eigen keuze teneinde zo snel mogelijk een andere betrekking of loonvormende arbeid te verwerven. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om appellant ontslag op andere gronden te verlenen en dat appellant niet tekort is gedaan met de toegekende ontslaguitkeringen en het ter beschikking stellen van € 7.500,- te gebruiken voor begeleiding door een coach naar eigen keuze. Volgens de rechtbank was het ontstaan van de impasse niet in overwegende mate aan het college toe te rekenen aangezien beide partijen een evenredig aandeel hebben gehad aan de in de loop der tijd ontstane impasse. 3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling 4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198) kan een ontslaggrond zoals neergelegd in artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van de verlening van het ontslag zich een dergelijke situatie voordeed. 4.2. Appellant heeft aangevoerd dat het college naast (de garantie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.