← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:1753

15/634 WWAJ Datum uitspraak: 11 mei 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 december 2014, 14/2079 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 26 mei 2015 heeft mr. Kaya zich als gemachtigde onttrokken. De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 2 februari 2016 aangekondigd dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 30 maart

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart
  2. Van de zijde van appellante is niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. OVERWEGINGEN
  3. Appellante, geboren [in] 1986, heeft op 26 augustus 2013, ontvangen door het Uwv op 29 augustus 2013, een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Deze aanvraag is na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 15 oktober 2013 afgewezen, omdat appellante, op het moment dat de arbeidsondersteuning mogelijk kon ingaan, in staat werd geacht om meer dan 75% van haar maatmaninkomen te verdienen. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is, na nader medisch onderzoek, bij besluit van 8 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Samengevat, heeft de rechtbank geoordeeld geen aanleiding te zien het door de verzekeringsartsen verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig te achten en te concluderen dat de beperkingen van appellante, zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), niet juist zijn vastgesteld. Met verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige heeft de rechtbank zich voorts verenigd met de conclusie dat appellante de haar voorgehouden functies moet kunnen verrichten. 3.
  5. In hoger beroep heeft appellante verzocht hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft gesteld als herhaald en ingelast te beschouwen. Appellante blijft van mening dat de artsen van het Uwv haar klachten niet juist hebben beoordeeld, dat zij volledig arbeidsongeschikt is, dat haar klachten al sinds haar jeugd aanwezig zijn en deze in de loop der jaren alleen maar zijn toegenomen. 3.
  6. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (onder meer: uitspraken van 17 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX4918) en 27 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:939), vloeit uit artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet Wajong voort dat indien betrokkene bij zijn aanvraag ouder is dan achttien jaar (dat wil zeggen dat sprake is van een laattijdige aanvraag) en hij op de datum waarop de arbeids- en inkomensondersteuning kan ingaan (16 weken na de aanvraag) niet arbeidsongeschikt is, er geen recht op deze ondersteuning bestaat. In zo een dergelijke situatie is het, naar het oordeel van de Raad, niet vereist om tevens of eerst te beoordelen of de betrokkene (op zijn achttiende verjaardag) als jonggehandicapte dient te worden aangemerkt in de zin van artikel 2:3 van de Wet Wajong. 4.
  9. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Wat appellante in hoger beroep, zonder nadere medische onderbouwing, heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding voor het oordeel dat in de vastgestelde FML van 30 september 2013 onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen die appellante heeft. 4.
  10. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid, moet zij in staat worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. In het rapport van de arbeidsdeskundige van 15 oktober 2013 is afdoende beargumenteerd dat appellante de geselecteerde functies kan vervullen met inachtneming van haar beperkingen.
  11. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei
  13. (getekend) E.W. Akkerman (getekend) L.L. van den IJssel NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.