← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:1771

15/3622 WMO Datum uitspraak: 4 mei 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 mei 2015, 14/6560 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Almere (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart

  1. Namens appellante is verschenen mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C. Bouwman en G.M. Endlich. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante is [in] 1973 geboren in Nederland. Zij bezit niet de Nederlandse nationaliteit. Zij is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel heeft zij gedurende de periode in dit geding van belang geen aanspraak op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen. 1.
  4. Appellante heeft op 17 april 2013 een aanvraag gedaan om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). 1.
  5. Bij besluit van 17 juni 2014 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. 1.
  6. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 juni 2014 is bij besluit van 28 oktober 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellante wordt opgevangen in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Dit is een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit, voor zover van belang, ongegrond verklaard.
  8. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte haar beroepsgronden die zien op de schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en op haar staatloosheid buiten bespreking heeft gelaten.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang van appellante dateert van vóór 24 februari 2014, zodat, onder verwijzing naar de uitspraken van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, en 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834, ter beoordeling van de aanspraken van appellante nog het recht van toepassing is, zoals dat gold voor de uitspraken van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, en 26 november
  11. 4.
  12. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij een aanvraag als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de beoordelingsperiode loopt van 17 april 2013 tot en met 28 oktober
  13. 4.
  14. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante geen aanspraak kon maken op maatschappelijke opvang, omdat zij al verblijf had in de VBL in [plaatsnaam] . Niet in geschil is dat appellante gedurende de beoordelingsperiode door DT&V werd opgevangen in een VBL. Uit de uitspraken van 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8957, en 26 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:138, volgt dat indien in het concrete geval vast staat dat een betrokkene gebruik kan maken van voorzieningen in een VBL, in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de weigering van het college om opvang te bieden, geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van opvang en de particuliere belangen van betrokkene. Het college heeft daarom de aanvraag mogen afwijzen op de grond dat appellante niet dakloos was. Zoals het college terecht heeft toegelicht, was er gedurende de beoordelingsperiode geen concreet zicht op uitzetting uit de VBL. Er was toen dan ook geen situatie waarin dakloosheid dreigde voor appellante. Blijkens de gedingstukken heeft appellante nog tot 12 mei 2015 in de VBL verbleven. 4.
  15. Appellante heeft gedurende de beoordelingsperiode feitelijk onderdak gehad. Er was geen situatie waarin zij het onderdak dreigde te verliezen. Onder die omstandigheden behoefde het beroep op de artikelen 21, 23 en 24 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, het Verdrag tot beperking der staatloosheid en de grond dat het niet verlenen van de gevraagde maatschappelijke opvang in strijd is met artikel 3 van het EVRM geen bespreking in de aangevallen uitspraak. 4.
  16. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei
  18. (getekend) M.F. Wagner (getekend) R.G. van den Berg AP

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.