← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:181

14/6103 WWB Datum uitspraak: 19 januari 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2014, 14/4748 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Guman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november

  1. Namens appellant is mr. Guman verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoen-Tewari. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant heeft zich op 25 februari 2014 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij de aanvraag heeft hij vermeld dat hij naar het buitenland is geweest en geen inkomen heeft. 1.
  4. De Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft appellant bij brief van 24 maart 2014 uitgenodigd voor een gesprek op 25 maart 2014 om 10.00 uur. Appellant is zonder bericht van verhindering niet op dit gesprek verschenen. Vervolgens heeft de DWI appellant bij brief van 25 maart 2014 uitgenodigd voor een gesprek op 27 maart 2014 om 11.00 uur. Appellant is wederom zonder voorafgaand bericht van verhindering niet op dit gesprek verschenen. 1.
  5. Bij besluit van 27 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat onduidelijkheid bestaat over de financiële situatie van appellant en over de datum van terugkeer naar Nederland, dat appellant niet is verschenen op twee uitnodigingen voor een gesprek en dat appellant niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  7. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij ziek was en dat hem daarom niet kan worden verweten dat hij niet op het tweede gesprek is verschenen. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat hij tweemaal niet op gesprek is verschenen. De wettelijke basis daarvoor is niet duidelijk. Niet duidelijk is waarom de DWI appellant niet voor een derde gesprek heeft uitgenodigd.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. De hier te beoordelen periode loopt van 25 februari 2014 tot en met 27 maart
  10. 4.
  11. Het gaat hier om een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 4.
  12. Niet in geschil is dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodigingen voor een gesprek op 25 en 27 maart
  13. Dat appellant ziek was en niet kon verschijnen op het tweede gesprek van 27 maart 2014 heeft appellant ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt. 4.
  14. Nu appellant niet op de twee gesprekken is verschenen om een toelichting te geven op zijn financiële situatie en zijn gestelde verblijf in het buitenland heeft appellant de op hem rustende wettelijke verplichtingen, als genoemd in 4.2, geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen. Het college was, anders dan aangevoerd, niet gehouden appellant voor een derde gesprek uit te nodigen. Het beroep ter zitting op de uitspraken van 15 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1255) en 24 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK4057) noopt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze uitspraken betrekking hebben op de intrekking van bijstand en niet, zoals in dit geval, op een aanvraag om bijstand. 4.
  15. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari
  17. (getekend) M. Hillen (getekend) J.L. Meijer HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.