14/2869 ZW Datum uitspraak: 18 mei 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 april 2014, 13/1904 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.J. Baltus, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april
- Appellante is niet. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante was werkzaam als verkoopmedewerkster voor 20 uur per week, toen zij zich op 8 juni 2011 voor dit werk ziek meldde met nek- en hoofdpijnklachten. Haar dienstverband is op 1 oktober 2011 geëindigd. 1.
- Appellante heeft een aantal keer het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, laatstelijk op 21 maart
- Deze arts heeft appellante per 22 maart 2013 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van verkoopmedewerkster. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 maart 2013 vastgesteld dat appellante per 22 maart 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 juni 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 juni 2013 ten grondslag.
- De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.
- In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest en dat het onderzoek de getrokken conclusie kan dragen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek te summier en onvolledig is geweest. Appellante heeft tot slot aangevoerd dat zij wegens haar fysieke beperkingen, opgelopen tijdens het ongeval, en haar psychische beperkingen niet in staat is haar arbeid te verrichten en dat zij dit met afdoende objectieve medische feiten en gegevens heeft onderbouwd. 3.
- Het Uwv heeft zich in verweer op het standpunt gesteld dat er geen medisch objectiveerbare medische gegevens zijn ingediend op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat appellante niet in staat zou zijn tot het verrichten van haar arbeid. Eveneens doet zich naar het oordeel van het Uwv in deze zaak niet de situatie voor dat sprake is van een situatie waarbij bij de (onafhankelijke) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Uwv bepleit tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. 4.
- Appellante heeft in hoger beroep niet gesteld dat de beschrijving van haar werk, zoals de verzekeringsarts in zijn rapport van 21 november 2011 heeft vastgelegd, onjuist is. De rechtbank is van een juiste maatstaf voor “zijn arbeid” uitgegaan. 4.
- De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de medische aspecten van het bestreden besluit en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. 4.
- Van belang wordt geacht dat appellante door de verzekeringsarts een aantal keer op het spreekuur is onderzocht en dat deze arts op basis van zijn bevindingen uit deze contacten en verkregen informatie van de behandelend sector aanleiding heeft gezien een multidisciplinair onderzoek te laten plaatsvinden. In dit kader is appellante onderzocht door drs. M.D.E.H. Spuijbroek, orthopedagoog en gedragswetenschapper en psychiater A.J.W.M. Trompenaars. De verzekeringsarts heeft vervolgens, met inachtneming van de conclusies voortkomend uit dit onderzoek en beschreven in een rapport van 5 maart 2013, het standpunt ingenomen dat duidelijk is dat appellante klachten heeft en daardoor beperkingen ervaart, maar dat er onvoldoende medische onderbouwing is om haar arbeidsongeschikt te achten voor haar arbeid. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante op de hoorzitting gesproken en op basis van dit gesprek, dossierstudie en in bezwaar verkregen informatie van de behandelend huisarts en anesthesioloog, in zijn rapport van 7 juni 2013, inzichtelijk gemotiveerd dat na uitputtend onderzoek door behandelaars en de psychiater geen medische basis bestaat om appellante niet volledig belastbaar te achten in haar maatgevende arbeid. 4.
- Nu door appellante in hoger beroep geen medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijk dat haar beperkingen per datum in geding zijn onderschat is er geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.
- De overwegingen 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei
- (getekend) M.C. Bruning (getekend) M.S.E.S. Umans TM