← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:207

14/3773 WWB Datum uitspraak: 19 januari 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2014, 14/541 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.J.P. Cats, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december

  1. Namens appellant is verschenen mr. Cats. Het college is, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant ontving sinds 15 april 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij verbleef in [opvangcentrum] , een opvangcentrum van [instantie] . Appellant heeft met een ondertekende machtiging van 26 april 2013 de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam tot wederopzegging gemachtigd om de maandelijkse pensionkosten aan [instantie] over te maken. 1.
  4. Bij besluit van 13 juni 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 4 mei 2013 ingetrokken, omdat appellant niet langer in de gemeente Amsterdam woonde, maar is verhuisd naar de gemeente Emmen. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend. 1.
  5. Bij besluit van 12 juli 2013 heeft het college de over de periode van 4 tot en met 31 mei 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 835,81 van appellant teruggevorderd. 1.
  6. Bij besluit van 13 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juli 2013 ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat het college de bijstand voor zover het de rechtstreeks aan [instantie] betaalde pensionkosten betreft, niet van hem maar van [instantie] dient terug te vorderen.
  9. De Raad komst tot de volgende beoordeling. 4.
  10. De intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 4 tot en met 31 mei 2013 staat in rechte vast. Tussen partijen is, zoals door de gemachtigde van appellant ter zitting nader is toegelicht, verder niet in geschil dat het college op juiste gronden de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 835,81 heeft teruggevorderd. Het geschil tussen partijen spitst zich toe tot de vraag of dit bedrag volledig van appellant mocht worden teruggevorderd. 4.
  11. De beroepsgrond van appellant dat het college de ten onrechte betaalde bijstand (deels) van [instantie] dient terug te vorderen, slaagt niet. De bijstand is immers verleend aan appellant en niet aan [instantie] , zodat het college de kosten van bijstand alleen van appellant kan terugvorderen. Het college heeft overeenkomstig de machtiging en ten behoeve van appellant de pensionkosten maandelijks rechtstreeks aan [instantie] betaald. De omstandigheid dat appellant in de desbetreffende periode feitelijk niet meer verbleef in [opvangcentrum] , leidt niet tot een ander oordeel. 4.
  12. Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari
  14. (getekend) G.M.G. Hink (getekend) M.S. Spek HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.