Datum uitspraak: 15 juni 2016 14/7043 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 november 2014, 14/647 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei
- Namens appellante is verschenen haar opvolgend gemachtigde mr. J.H.A. Nieste, advocaat. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. R. Spanjer en mr. C.C.M. Fens. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante genoot een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) sinds 17 november 2008, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 80 tot 100%. 1.
- Bij brief van 23 mei 2012 heeft appellante bij het Uwv gemeld dat haar gezondheidssituatie sinds 23 mei 2012 is verslechterd. Bij besluit van 7 november 2012 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante beëindigd met ingang van 8 januari 2013, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2013 heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Het door appellante ingestelde beroep is ongegrond verklaard door de rechtbank bij uitspraak van 13 februari
- Bij uitspraak van 27 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4222) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.
- Op 5 maart 2013 heeft appellante wederom melding gedaan van een verslechtering in haar gezondheidssituatie met ingang van 5 februari
- Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van 5 februari 2013 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet WIA. Bij beslissing op bezwaar van 17 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Zij heeft geen aanleiding gezien tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling, waarbij het standpunt is ingenomen dat de medische situatie vanaf 5 februari 2013 ongewijzigd is ten opzichte van 8 januari 2013 en waarbij de destijds door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 7 januari 2013 onverkort van toepassing is verklaard.
- In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen met ingang van 5 februari 2013 wel degelijk zijn toegenomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij verwezen naar de reeds in de bezwaarfase ingediende informatie van haar huisarts van 24 juli 2013, van haar revalidatiearts van 2 mei 2013 en van haar cardioloog van 5 december
- 3.
- De Raad overweegt als volgt. 3.
- Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de medische onderzoeken door de verzekeringsartsen zorgvuldig zijn geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante heeft in hoger beroep volstaan met herhaling van de in eerste aanleg aangevoerde gronden en heeft geen nadere medische stukken ingediend die twijfel oproepen aan de juistheid van de medische beoordeling. De overwegingen 9 en 10 van de aangevallen uitspraak worden volledig onderschreven. Nu er bij de Raad geen twijfel is aan de juistheid van de medische beoordeling, is voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige in hoger beroep evenmin aanleiding. 3.
- Gelet op overweging 3.2 slaagt het hoger beroep niet. 3.
- Van gederfde wettelijke rente is dan ook geen sprake. Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van gederfde wettelijke rente dient te worden afgewezen. 3.
- Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van gederfde wettelijke rente af. Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni
- (getekend) R.E. Bakker (getekend) A. Mansourova MO