← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:245

14/5362 WUBO Datum uitspraak: 21 januari 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 september 2014, kenmerk BZ01758112 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december

  1. Daar is appellant verschenen en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant, geboren in 1938 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in augustus 1995 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 29 december
  3. Hierbij is overwogen dat de internering van de vader van appellant, de vlucht naar Kediri en de gestelde onderduik gedurende de Japanse bezetting en de Bersiap-periode geen gebeurtenissen zijn die onder de Wubo vallen. Verder is geoordeeld dat geen bevestigingsgegevens zijn verkregen van een directe betrokkenheid van appellant bij beschietingen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. 1.
  4. In december 1999 heeft appellant verzocht de onder 1.1 genoemde afwijzing te herzien. Hierop heeft verweerder bij besluit van 24 maart 2000 afwijzend beslist, welke afwijzing na gemaakt bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 31 juli
  5. Het tegen het besluit van 31 juli 2000 ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 4 september 2002, nummer 00/4728 Wubo, ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om, onder herziening van het eerdere besluit, alsnog te aanvaarden dat appellant bij oorlogsgeweld in de zin van de Wubo betrokken is geweest. 1.
  6. In april 2014 heeft appellant verzocht om op grond van de Wubo in aanmerking te komen voor een vergoeding voor psychotherapie. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 19 mei 2014 en die afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat appellant bij zijn verzoek en ook tijdens de bezwaarprocedure geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding zouden moeten geven de eerdere besluiten te herzien.
  7. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij door de verklaring van zijn zuster van september 2014 en een nader gesprek met haar nieuwe details over beschietingen en de razzia heeft vernomen. Hij stelt dat hij door deze gebeurtenissen psychische problemen heeft en dat hij voldoet aan de eisen voor erkenning op grond van de Wubo. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.
  9. Om aanspraken te kunnen ontlenen aan de Wubo geldt als eerste voorwaarde dat de aanvrager direct betrokken moet zijn geweest bij oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Pas als een zodanige betrokkenheid is vastgesteld kunnen de medische gevolgen daarvan aan de orde komen. De hier in geding zijnde aanvraag heeft verweerder dan ook terecht aangemerkt als een verzoek om herziening van de eerdere besluiten. 3.
  10. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op een daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die een zodanig nieuw licht op de zaak werpen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. 3.
  11. Zulke feiten en omstandigheden zijn niet ingebracht. Ook met de nadere verklaring van de zuster van appellant is er geen bevestiging van verkregen dat appellant direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat deze zuster niet vermeldt dat appellant gewond is geraakt bij beschietingen dan wel rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of het omkomen van naasten door beschietingen. Verder kan uit de verklaring niet worden begrepen dat de gestelde huiszoekingen gepaard zijn gegaan met excessief geweld in de zin van de Wubo, nog daargelaten dat appellant niet eerder melding heeft gemaakt van huiszoekingen. Verder is met de verklaring van zijn zuster ook overigens niets bekend geworden dat een ander licht werpt op de eerdere afwijzingen. 3.
  12. Gezien het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.
  13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari
  14. (getekend) A. Beuker-Tilstra (getekend) M.S. Boomhouwer HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.