14/5871 AOW Datum uitspraak: 1 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2014, 12/2466 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant 2] te [woonplaats] , Marokko (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft appellant zich nog een aantal malen tot de Raad gewend en heeft met een brief van 5 april 2016 vragen van de Raad beantwoord. Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN
- Appellant heeft een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd bij de Svb omdat hij in Nederland zou hebben gewoond en gewerkt. Met een besluit van 25 oktober 2011 heeft de Svb appellant laten weten dat hij niet voor een AOW-pensioen in aanmerking komt, omdat niet aannemelijk is geworden dat hij verzekerd is geweest voor de AOW. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 12 april 2012 (bestreden besluit).
- De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de Svb een voldoende en zorgvuldig onderzoek heeft verricht om te achterhalen of en zo ja, in welke periodes appellant verzekerd is geweest op grond van de AOW. Uit dit onderzoek is geen bevestiging gekomen voor de stelling van appellant dat hij tussen 1966 en 1977 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De AOW-aanvraag is dan ook terecht afgewezen. 3.
- In hoger beroep heeft appellant in essentie herhaald dat hij wel in Nederland heeft gewoond en gewerkt en dat hij onder verschillende namen bekend was. Ter onderbouwing heeft hij een aantal brieven ingezonden, gericht aan [naam 1] , [naam 2] [naam 3] of [naam 4] . Tevens heeft appellant een “Certificat de Concordance” ingezonden waarin wordt verklaard dat [naam 4] en [naam 5] dezelfde persoon is als [appellant 1] . 3.
- Uit het dossier blijkt dat de Svb navraag heeft gedaan bij de gemeente Utrecht, bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid en bij het schakelregister, waarbij is gezocht naar de verschillende door appellant genoemde namen en geboortedata. Bij geen van deze instanties was appellant bekend. De in hoger beroep ingezonden nadere stukken kunnen niet leiden tot de conclusie dat er getwijfeld dient te worden aan de uitkomst van het onderzoek door de Svb. Als werkgever in Nederland heeft appellant slechts opgegeven V/D Bouwnijverheid Utrecht. De Svb heeft geen bedrijf met deze naam kunnen achterhalen. Er kan niet vastgesteld worden dat appellant in Nederland heeft gewoond en/of gewerkt op grond waarvan hij verzekerd zou zijn geweest voor de AOW. De rechtbank heeft dus terecht het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.
- Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli
- (getekend) M.M. van der Kade (getekend) M.S.E.S. Umans Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde. IvR