← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:2540

15/4783 AW Datum uitspraak: 7 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2015, 14/8330 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van bestuur van de Stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N. van Bremen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante heeft mr. Van Bremen nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Šimičević. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Quaak. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante is in het kader van een zogenoemde in- en doorstroombaan (ID-baan) met ingang van 1 september 1999 aangesteld als [functie 1] bij de openbare basisschool (OBS) [naam] in Rotterdam. 1.
  3. Nadat het college zijn voornemen daartoe aan appellante had meegedeeld en zij haar zienswijze daarop naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 30 april 2014 appellante met ingang van 1 augustus 2014 eervol ontslag verleend wegens opheffing van de betrekking als gevolg van de beëindiging van de subsidiëring van ID-banen door de gemeente Rotterdam. Bij besluit van 15 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het ontslag gehandhaafd.
  4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat niet de aanstellingsakte leidend is bij de beoordeling van het ontslag op grond van opheffing van de betrekking, zoals in het bestreden besluit tot uitgangspunt is genomen, maar het samenstel van feitelijk opgedragen werkzaamheden. Het bestreden besluit is daarom ondeugdelijk gemotiveerd. Om deze reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat appellante niet heeft aangetoond dat zij feitelijk werkzaamheden als [functie 2] heeft verricht. Het samenstel van feitelijk opgedragen werkzaamheden bestond voor het overgrote deel uit de werkzaamheden van [functie 1], waarvan is komen vast te staan dat deze niet meer bekostigd kunnen worden en zijn vervallen. Het college was daarom bevoegd appellante eervol ontslag te verlenen. Gelet hierop heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.
  5. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Kern van het hoger beroep is dat appellante feitelijk de werkzaamheden van [functie 2] verrichtte en niet die van [functie 1], dat haar betrekking daarom niet is opgeheven en dat aan haar dan ook geen ontslag wegens opheffing van de betrekking had mogen worden verleend. 4.
  8. De Raad volgt appellante hierin niet. Appellante is aangesteld in de betrekking van [functie 1]. Zoals het college ter zitting nader heeft toegelicht betrof het hier een bovenformatieve ID-baan die ook bovenformatief werd bekostigd uit de subsidie die het college hiervoor van de gemeente Rotterdam ontving. Als gevolg van de beëindiging van de subsidie door de gemeente Rotterdam en bij gebreke van andere financiële middelen om deze ID-banen te behouden, heeft het college de functie van [functie 1] opgeheven. Dat appellante in het kader van haar functie als [functie 1] ook werkzaamheden als [functie 2] en zelfs als invalleerkracht heeft verricht, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, betekent, anders dan zij stelt, niet dat haar betrekking niet is opgeheven en evenmin dat het college aan haar geen ontslag wegens opheffing van de betrekking mocht verlenen. Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, stuit hierop af. 4.
  9. Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
  10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli
  11. (getekend) E.J.M. Heijs (getekend) S.W. Munneke HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.