16/757 WWB Datum uitspraak: 19 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 juli 2015, 14/711 WWB Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij brief van 6 januari 2016 verzocht om herziening van bovenvermelde uitspraak van de Raad van 14 juli
- Hierna heeft hij nog nadere stukken ingediend. Het college heeft een reactie ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 juni
- Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Verzoeker heeft zich op 27 augustus 2012 gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen met als gewenste ingangsdatum 7 augustus
- Op 3 september 2012 heeft verzoeker de daartoe strekkende aanvraag ingediend. Bij besluit van 26 oktober 2012 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Het college heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat het vermogen van verzoeker, gelet op het saldo op zijn bankrekening, hoger is dan het vrij te laten vermogen. Verzoeker heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. 1.
- Op 20 november 2012 heeft verzoeker wederom bijstand aangevraagd, nu over de periode van 7 augustus 2012 tot 1 oktober
- Bij besluit van 26 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 maart 2013, heeft het college deze aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, op de grond dat de situatie en omstandigheden van verzoeker niet zijn gewijzigd. 1.
- Bij uitspraak van 2 januari 2014, 13/2708, heeft de rechtbank Rotterdam het beroep tegen het besluit van 22 maart 2013 ongegrond verklaard. 1.
- Bij de uitspraak van 14 juli 2015, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad die uitspraak bevestigd.
- Verzoeker heeft aan zijn verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft gesteld dat zijn eerdere aanvraag om bijstand ten onrechte is afgewezen, omdat tegenover het positieve saldo op zijn bankrekening een alimentatieschuld stond, waardoor zijn vermogen onder de vrij te laten vermogensgrens bleef. Verzoeker heeft er ter zitting op gewezen dat de Raad in de uitspraak waarvan hij herziening vraagt heeft opgenomen dat betrokkene de schuld ook aannemelijk moet maken. Daarom heeft verzoeker bij zijn verzoek om herziening de uitspraak in het Hebreeuws van 28 oktober 2010 van de familierechter te Tel-Aviv overgelegd. Uit dit stuk blijkt volgens verzoeker dat hij verplicht is om alimentatie te betalen.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.
- Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.
- Wat verzoeker heeft aangevoerd betreft niet een omstandigheid die hem vóór de uitspraak van de Raad van 14 juli 2015 niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend kon zijn. De uitspraak van de familierechter te Tel Aviv die volgens verzoeker inhoudt dat hij verplicht was om een bedrag als achterstallige kinderalimentatie aan zijn ex-partner te betalen was al bekend ten tijde van de uitspraak waarvan hij herziening verzoekt. Verzoeker heeft bij de behandeling van het hoger beroep ter zitting op 2 juni 2015 voormelde uitspraak van de familierechter, die hij bij zijn verzoek om herziening heeft overgelegd, zelfs toegelicht. Daarnaast heeft voor de Raad de uitspraak van de familierechter in Tel Aviv geen rol gespeeld in de overwegingen, omdat op basis van de verklaringen van verzoeker zelf doorslaggevend werd geacht dat de alimentatieaanspraken in de te beoordelen periode nog niet reëel opeisbaar waren en opgeëist werden. Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. 3.
- Indien verzoeker met zijn verzoek beoogt de juistheid van de uitspraak van 14 juli 2015 te betwisten, dan kan dit niet tot het door hem beoogde gevolg leiden. Naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening immers niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
- Uit wat onder 3 is overwogen vloeit voort dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en A. Stehouwer en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli
- (getekend) Y.J. Klik (getekend) A.M.C. de Vries HD