← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:2780

15/1456 WAO Datum uitspraak: 22 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 10 maart 2009, 06/6055 WAO Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij brief van 19 januari 2015 verzocht om herziening van de uitspraak van 10 maart 2009, 06/6055 WAO (ECLI:NL:CRVB:2009:BH5930). Het Uwv heeft op dit verzoek om herziening gereageerd. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend. Het verzoek om herziening is behandeld ter zitting van 10 juni

  1. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 2.
  3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (o.a. de uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) wordt vooropgesteld dat van degene die herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend verzoek om herziening moet niet-ontvankelijk worden verklaard. 2.
  4. Een verzoek om herziening als hier aan de orde wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden dan wel, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld, na de openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. 2.
  5. Wat verzoeker heeft aangevoerd, is in essentie een zienswijze van verzoeker over arbeidsrechtelijke verplichtingen van zijn (ex)werkgever en bevat geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om herziening is meer dan een jaar na openbaarmaking van de uitspraak van 10 maart 2009 ingediend. Dat leidt tot het oordeel dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
  6. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
  7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli
  8. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) G.J. van Gendt UM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.