← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:2820

15/2032 WWB Datum uitspraak: 26 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 februari 2015, 14/2108 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni

  1. Namens appellant is verschenen mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Weghorst. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant heeft zich op 1 augustus 2013 gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Hierbij heeft hij opgegeven te wonen op het [opgegeven adres] te Enschede (opgegeven adres). Op 22 augustus 2013 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste maand huur ingediend. 1.
  4. Omdat uit eerder onderzoek in 2009 was gebleken dat appellant niet woonde op het destijds door hem opgegeven adres, hebben twee medewerkers handhaving van de gemeente Enschede een onderzoek gestart naar de woonsituatie van appellant. Hiertoe hebben de medewerkers appellant 26 september 2013 gehoord en aansluitend een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 september 2013 (rapport). 1.
  5. Bij besluiten van 7 oktober 2013 heeft het college de aanvragen van appellant om (bijzondere) bijstand afgewezen, onder meer op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonde op het opgegeven adres. 1.
  6. Appellant is op 13 november 2013 gehoord door de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Enschede (commissie). De commissie heeft in haar advies van 14 november 2013 geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren en de besluiten van 7 oktober 2013 te herzien. De commissie meent dat er meer overeenkomsten dan verschillen bestaan tussen de verklaring van appellant en de bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek. De verschillen zijn te gering en minder doorslaggevend van aard. 1.
  7. Bij besluit van 15 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft het college, in afwijking van het advies van de commissie, de bezwaren tegen de besluiten van 7 oktober 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de verschillen tussen de verklaring van appellant en de bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek, in combinatie met de nagenoeg lege woning die is aangetroffen (onder andere geen vloerbedekking, bed, matras, lakens, dekens, etenswaren en verzorgingsspullen), niet aannemelijk maken dat appellant woonde op het opgegeven adres.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  9. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  11. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 augustus 2013, de meldingsdatum, tot en met 7 oktober 2013, de datum van de afwijzende besluiten. 4.
  12. De grond dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het advies van de commissie heeft kunnen passeren, slaagt niet. In artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering wordt vermeld. Het college heeft in het bestreden besluit, zoals in 1.5 weergegeven, gemotiveerd waarom hij in afwijking van het advies van de commissie de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 7 oktober 2013 ongegrond verklaart. 4.
  13. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. 4.
  14. Appellant is niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in de te beoordelen periode woonde op het opgegeven adres. Uit het rapport blijkt dat appellant tijdens het gesprek van 26 september 2013 onder meer heeft verklaard dat hij vanaf 1 augustus 2013 op het opgegeven adres woont, dat hij daar de hele dag is en dat hij daar elke nacht slaapt. Aansluitend aan dit gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Tijdens dit huisbezoek hebben medewerkers van het college onder meer geconstateerd dat de kamer waar appellant stelde te wonen nagenoeg leeg was en een kale betonnen vloer had, aan meubels slechts een televisiekastje en een stoel bevatte en dat geen bed, matras of beddengoed aanwezig was. Verder hebben de medewerkers wel enkele kledingstukken en administratie van appellant aangetroffen maar geen etenswaren of verzorgingsproducten zoals een tandenborstel, tandpasta, scheerspullen en shampoo. Deze bevindingen wijzen er niet op dat appellant al bijna twee maanden dag en nacht op het opgegeven adres verbleef. Deze conclusie vindt steun in de verschillen tussen de verklaring van appellant en de in de woning aangetroffen situatie. Zo heeft appellant verklaard dat de badkamer een douche en een wastafel heeft en dat in het toilet geen wastafel is, terwijl tijdens het huisbezoek is vastgesteld dat geen wastafel in de badkamer was en er wel een wastafel in het toilet aanwezig was. Ook heeft appellant verklaard dat op zijn kamer een tandenborstel, tandpasta, een tube scheermiddel, een scheermesje en een oplader voor zijn mobiele telefoon aanwezig zijn, terwijl deze spullen bij het huisbezoek niet zijn aangetroffen. 4.
  15. Anders dan ter zitting aangevoerd blijkt uit de verklaring van de verhuurder, afgelegd ter hoorzitting van de commissie op 13 november 2013, niet dat appellant in de periode in geding woonde op het opgegeven adres. De verhuurder heeft weliswaar verklaard dat hij appellant dagelijks in en uit de woning op het opgegeven adres ziet gaan, maar niet duidelijk is op welke periode deze waarnemingen zien. 4.
  16. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  17. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli
  18. (getekend) G.M.G. Hink (getekend) J.L. Meijer HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.