14/6761 WUBO, 14/6760 WUBO Datum uitspraak: 28 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak in de gedingen tussen Partijen: [appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats] , Israël de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder) PROCESVERLOOP Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 3 november 2014, kenmerk BZ01735922 en BZ01735921(bestreden besluiten). Die besluiten betreffen de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2016, waar de beroepen gevoegd zijn behandeld. Appellant [appellant] is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. Als door appellanten meegebrachte getuige-deskundige is verschenen en gehoord dr. K.M.J. Mengelberg, psychiater. OVERWEGINGEN
- Appellante is geboren in 1939 en appellant in
- Bij besluiten van verweerder van 27 april 2010 en 25 oktober 2010 is erkend dat beiden zijn getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo op grond van hun onderduik als kind vanwege hun joodse afkomst. Bij beiden is aanvaard dat hun psychische klachten een gevolg zijn van die oorlogservaringen. Voor de fysieke klachten van beiden is dit causaal verband niet aanvaard. Aan appellanten is een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, een vergoeding voor huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend.
- In november 2013 hebben appellanten verzocht om vergoeding van de kosten van inkoop en verzorging in het (Nederlandse) verzorgingshuis [verzorgingshuis] in Israël en de voor de verhuizing naar dit verzorgingshuis te maken verhuis- en inrichtingskosten. Bij besluiten van 10 maart 2014 is hierop voor beiden afwijzend beslist op de grond dat geen medische noodzaak aanwezig is voor deze verhuizing. De tegen die besluiten gemaakte bezwaren zijn bij de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.
- Op grond van artikel 32 van de Wubo komen - kort weergegeven - voor vergoeding in aanmerking de ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende kosten voor geneeskundige behandeling of verpleging en daarmee direct verband houdende noodzakelijke voorzieningen, indien opname in een inrichting geschiedt wegens ziekten of gebreken die door of in verband met het ondergane oorlogsgeweld zijn ontstaan. 3.
- Uit de voorhanden zijnde medische gegevens blijkt niet dat ten tijde in geding de psychische klachten door of in verband met het ondergane oorlogsgeweld van appellante en appellant een opname in een verzorgingshuis medisch noodzakelijk maakten. Van belang daarbij zijn de medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs, gebaseerd op een persoonlijk onderhoud van de adviseur G.L.G. Kho, arts, met appellanten. In bezwaar is daarbij ook betrokken het rapport van de psychiater dr. K. Mengelberg van 8 juli 2014, die appellanten op hun verzoek heeft onderzocht. In beroep is nog een nadere reactie van deze psychiater ingediend en ter zitting heeft dr. Mengelberg zijn standpunt verder toegelicht. Betoogd is dat met name appellante angstig is, dat appellanten zich onveilig voelden vanwege het toenemende anti-semitisme in Nederland en dat zij in [plaats] gediscrimineerd zijn. Appellanten zijn inmiddels verhuisd naar genoemd verzorgingshuis. Met name met appellante ging het slecht vlak vóór die verhuizing en inmiddels gaat het beter. Het is begrijpelijk dat appellanten, gezien dit gevoel van onveiligheid en hun leeftijd, de keuze hebben gemaakt te verhuizen naar een beschermde omgeving, in de buurt van hun twee dochters in Israël. Van een medische noodzaak voor opname in een verzorgingshuis op grond van hun psychische klachten - bij beiden kenmerken van een post-traumatische stressstoornis - was echter geen sprake. 3.
- Gezien hetgeen onder 3.2 is overwogen zijn terecht ook de met de verhuizing samenhangende kosten van verhuizing en herinrichting niet voor vergoeding in aanmerking gebracht. 3.
- Ten slotte stelt de Raad vast dat de beoordeling van de medische noodzaak van de in geding zijnde voorzieningen in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv) niet anders is dan in het kader van de Wubo. Appellanten zijn in dit opzicht dus niet benadeeld door de omzetting van hun aanspraken in het kader van de Wuv naar de Wubo in het verleden. Die omzetting vond destijds plaats vanwege gunstiger aanspraken op grond van de Wubo dan op grond van de Wuv.
- Gezien het vorenstaande worden de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.
- Er is ten slotte geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten en evenmin voor vergoeding van de gemaakte kosten voor inschakeling van de psychiater Mengelberg. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en M.T. Boerlage en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli
- (getekend) A. Beuker-Tilstra (getekend) C. Moustaïne HD