15/1313 WIA Datum uitspraak: 9 september 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 januari 2015, 14/1848 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [naam werkgeefster] (werkgeefster) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en rapporten van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Van werkgeefster is geen zienswijze ontvangen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2016, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Kort. Werkgeefster is – met bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante was werkzaam als begeleidster gehandicapten voor 26 uur per week bij werkgeefster totdat zij in december 2008 was uitgevallen voor deze werkzaamheden. Appellante heeft met ingang van 8 december 2010 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Appellante heeft vervolgens een tijdelijke functie van werkcoach gehad voor de periode van 22 februari 2011 tot en met 31 december
- In die functie heeft zij 18 uur per week werkzaamheden verricht totdat zij zich per 11 juli 2011 heeft ziek gemeld wegens een toename van haar klachten, waarna zij loon en ziekengeld heeft ontvangen naast haar WGA-uitkering. Met ingang van 8 juni 2012 is de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering. 1.
- Het Uwv heeft na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 27 september 2013 bepaald dat de hoogte van de WGA-loonaanvullingsuitkering voorlopig ongewijzigd blijft, maar dat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 47%. 1.
- Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 22 april 2014 (bestreden besluit), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 55,66%. Aan dit besluit heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 maart 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 maart 2014 ten grondslag gelegd.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig zijn geweest en dat hun conclusies voldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door beide artsen gegeven beoordeling. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank geen reden gezien de geschiktheid van de geduide functies voor appellante in twijfel te trekken. 3.
- De door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden komen erop neer dat zij van mening is dat de artsen van het Uwv onzorgvuldig onderzoek hebben gedaan en dat haar klachten, gezien het kortdurende onderzoek, niet serieus zijn genomen. Zij wijst daartoe ook op onjuistheden in eerdere rapporten. De artsen van het Uwv hebben haar beperkingen voorts onderschat. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht niet passend voor appellante omdat zij zich niet in staat acht boven schouderhoogte werkzaamheden te verrichten. Op de zitting van de Raad heeft appellante aangevoerd dat het Uwv de kosten van bezwaar ten onrechte niet heeft vergoed nu de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage had moeten leiden tot gegrond verklaring van het bezwaar. 3.
- Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid worden volledig onderschreven. De artsen van het Uwv hebben in hun rapporten van 17 september 2013 en van 11 maart 2014 een compleet beeld geschetst van de medische situatie van appellante op de datum in geding, die volgens deze rapporten is vastgesteld op 8 juli
- Zo heeft de verzekeringsarts een gedetailleerde anamnese afgenomen en lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Ook heeft deze arts dossierinformatie, waaronder medische informatie van de behandelend sector, in acht genomen. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante maximaal vier uur per dag en 20 uur per week belastbaar is met fysiek niet zwaar en niet stresserende werkzaamheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante gezien op de hoorzitting en de in bezwaar overgelegde medische informatie van de behandelend sector bestudeerd en uitvoerig en inzichtelijk gemotiveerd waarom wordt gekomen tot een bevestiging van het standpunt van de verzekeringsarts met enige aanpassingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Dat de duur van het contact met de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar de beleving van appellante kort is geweest en dat in een eerder rapport – dat niet ziet op de hier van belang zijnde datum in geding – mogelijk onjuistheden waren opgenomen, maakt gezien het voorgaande niet dat het onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is geweest. 4.
- De beschikbare informatie van de behandelend sector geeft voorts geen reden te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) van de medische situatie van appellante op de datum in geding. Uit de gegevens van de behandelend sector die betrekking hebben op de datum in geding blijkt niet dat de artsen van het Uwv medische gegevens over het hoofd hebben gezien. De door appellante overgelegde brief van 11 oktober 2014 van haar medisch adviseur drs. A.W.C. van Esch, arts, die stelt niet goed te kunnen inschatten of de FML een reële weergave is van de belastbaarheid, bevat geen informatie die leidt tot twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. 4.
- Uitgaande van een juiste belastbaarheid wordt ook het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellante, onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 24 maart 2014 duidelijk weergegeven dat het werken boven schouderhoogte in de betreffende functies laagfrequent voorkomt bij een korte aaneengesloten duur. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep is van mening dat de belasting van de functies binnen de belastbaarheid van appellante blijft. 4.
- Het Uwv heeft bij het bestreden besluit vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 55,66 % bedraagt, wat betekent dat er een inkomenseis geldt. Aangezien de resterende verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, is met de wijziging van de resterende verdiencapaciteit ook een verandering in de rechtspositie van appellante aangebracht. In het verlengde van zijn uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1, is de Raad van oordeel dat, wanneer in de bezwaarfase het arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt en er daarmee een wijziging in de resterende verdiencapaciteit ontstaat, dit een wijziging van de rechtspositie tot gevolg heeft. Dit betekent dat het Uwv het primaire besluit had behoren te herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hieruit volgt dat het Uwv ten onrechte het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 september 2013 ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden.
- Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Dit geldt tevens voor het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard en vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen. Om te komen tot een finale beslechting van het geschil zal de Raad zelf voorzien in de zaak en het besluit van 27 september 2013 herroepen en bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
- Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,- in bezwaar, € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 april 2014, voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard en vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen; herroept het besluit van 27 september 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 22 april 2014; veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.976,-; bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en F.M.S. Requisizione en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september
- (getekend) R.E. Bakker (getekend) J.W.L. van der Loo SS