15/8552 PW Datum uitspraak: 13 september 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2015, 15/5158 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli
- Namens appellant is mr. Kuijper verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Op 26 januari 2015 heeft appellant een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend. Het college heeft appellant op 26 januari 2015 verzocht voor 9 februari 2015 verschillende gegevens over te leggen, waaronder bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van de afgelopen drie maanden. Appellant heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. 1.
- Bij besluit van 13 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant gegevens waar het college om heeft gevraagd niet heeft verstrekt.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat appellant de gevraagde gegevens niet voor 9 februari 2015 heeft overgelegd. Naar oordeel van de rechtbank gaat het om gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Appellant heeft gesteld maar niet met medische stukken onderbouwd dat hij wegens een psychische stoornis niet in staat was de gevraagde gegevens tijdig in te sturen. Het college was dan ook bevoegd om de aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling te stellen.
- In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat hij door een psychische stoornis niet in staat was de gevraagde gegevens voor 9 februari 2015 in te sturen. Zijn aanvraag is daarom ten onrechte buiten behandeling gesteld.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de in 2 kort weergegeven overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellant ook in hoger beroep geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij door zijn gezondheidstoestand niet in staat was tijdig de gevraagde stukken te verstrekken. Voor zover appellant hiertoe al niet in staat zou zijn geweest, had het op zijn weg gelegen om daarvoor hulp in te roepen. Bovendien is appellant in staat gebleken om een nieuwe aanvraag om bijstand te doen op 23 februari 2015 en daarbij heeft hij wel alle voor de beoordeling van het recht op bijstand benodigde gegevens tijdig overgelegd. 4.
- Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september
- (getekend) W.F. Claessens (getekend) A. Stuut HD