154360 WWB Datum uitspraak: 13 september 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2015, 14/5611 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus
- Namens appellant is verschenen mr. Walker. Het college is, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Bij besluit van 5 februari 2014 heeft het college de aanvraag van appellant van 23 december 2014 om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen. Na bezwaar en beroep, heeft de Raad in hoger beroep bij uitspraak van heden, registratienummer 14/6419 WWB, beslist dat het college deze aanvraag terecht heeft afgewezen. De Raad heeft het college gevolgd in zijn standpunt dat nu appellant ten tijde van de aanvraag niet is aangetroffen op de door hem opgegeven drie verblijfadressen, waaronder het [adres] te [woonplaats], de woon- en verblijfsituatie van appellant onduidelijk is gebleven, zodat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. 1.
- Appellant heeft op 6 mei 2014 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij op het [adres] te Amsterdam bij zijn broer [C.] woont. 1.
- Bij besluit van 9 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van 6 mei 2014 afgewezen. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de vorige aanvraag.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- In een geval als het onderhavige, waarin na een eerdere afwijzing een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum wordt ingediend, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sinds de afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. 4.
- Appellant was, gelet op 1.1, gehouden om bij zijn nieuwe aanvraag gewijzigde feiten en/of omstandigheden aan te dragen met betrekking tot zijn woon- en verblijfsituatie. 4.
- Appellant heeft bij de aanvraag één (vast) adres opgegeven en gesteld dat hij nu op dit adres woont. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant verwezen naar een verklaring van zijn moeder, [S.], van 25 februari
- Hierin wordt verklaard dat appellant nu bij haar andere zoon, de broer van appellant, op [het adres] verblijft. 4.
- De stelling van appellant dat hij nu enkel nog op het [adres] te Amsterdam woont is een relevant (nieuw) gegeven, voldoende concreet en verifieerbaar voor het college. Het had dus op de weg van het college gelegen nader onderzoek in te stellen naar de actuele woon- en verblijfsituatie van appellant in de hier te beoordelen periode en in dat kader in de eerste plaats te onderzoeken of de door appellant gestelde gewijzigde omstandigheid zich daadwerkelijk voordeed. Zo het college het gestelde onvoldoende achtte, had het dienen aan te geven welke (nadere) gegevens nog door appellant zouden moeten worden verstrekt dan wel had het ter verificatie van de gestelde woon- en verblijfsituatie een huisbezoek kunnen afleggen. Het college heeft een dergelijk onderzoek achterwege gelaten. 4.
- Wat in 4.4 is overwogen is door de rechtbank niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad kan in dit geval het geschil niet definitief beslechten door instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of door zelf in de zaak te voorzien. Het toepassen van een bestuurlijke lus is niet aangewezen, nu het geschil steeds gericht is geweest op de beantwoording van de vraag of sprake was van gewijzigde omstandigheden en het college de aanvraag nog niet eerder inhoudelijk heeft beoordeeld. Daarom zal het college worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
- Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 28 juli 2014; - draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.984,-; - bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september
- (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) M.S. Boomhouwer HD