← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:3469

15/4669 WIA Datum uitspraak: 14 september 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2015, 14/11305 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T. Ertekin, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli

  1. Namens appellante is mr. Ertekin verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante was werkzaam als pedagogisch medewerkster voor 25,8 uur per week. Ze is uitgevallen op 31 mei 2012 met lichamelijke en psychische klachten. 1.
  3. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek en arbeidskundig onderzoek, waarvan rapport is opgemaakt op 28 mei 2014 respectievelijk 12 juni 2014, heeft het Uwv bij besluit van 12 juni 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 16 juni 2014, na afloop van de voor haar geldende wachttijd, geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% is bepaald. 1.
  4. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 3 november 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, met verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 november
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig zijn geweest en dat hun conclusies voldoende gemotiveerd zijn. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen en de daaruit voortvloeiende belastbaarheid per datum in geding, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 mei 2014, onjuist te oordelen. De geduide functies passen binnen de belastbaarheid van appellante.
  6. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de verzekeringsartsen haar beperkingen niet juist hebben ingeschat en dat de FML niet juist is. Appellante is onder behandeling van een psychiater. Deze psychiater heeft vastgesteld dat er sprake is van een paniekstoornis met agorafobie, een obsessieve-compulsieve stoornis en een depressie. Hier is onvoldoende rekening mee gehouden. Appellante heeft in hoger beroep medische stukken ingebracht die volgens appellante haar psychische problemen aantonen. Appellante heeft voorts klachten aan haar armen waardoor zij niet kan tillen, duwen en trekken. Mede om die reden zijn de functies niet geschikt. Ze moet in alle functies continu haar armen gebruiken en van enige afwisseling is geen sprake.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. De rechtbank heeft de medische gronden die appellante eerder in beroep tegen het bestreden besluit naar voren heeft gebracht afdoende besproken. Zij heeft, met verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. 4.
  9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 juli 2016 gereageerd op de medische stukken die appellante in hoger beroep heeft ingebracht. Uit die stukken, onder andere afkomstig van PsyQ en de huisarts, blijkt dat appellante stemmings- en angstklachten heeft. Deze klachten waren bekend bij de verzekeringsartsen. Ze zijn ook besproken tijdens de hoorzitting en er is voldoende rekening mee gehouden bij het opstellen van de FML. Er is dan ook geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank, zoals is weergegeven in de aangevallen uitspraak. Ook de armklachten zijn naar het oordeel van de Raad juist vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 3 november 2014 uiteengezet dat er bij appellante een verminderde fysieke belastbaarheid is. Behalve een algemene beperking voor zwaardere fysieke arbeid is specifiek rekening gehouden met een verminderde belastbaarheid van de rechterarm. Er zijn geen medische redenen om meer beperkingen aan te nemen. De Raad is van oordeel dat het Uwv toereikend heeft gemotiveerd dat appellante met wat zij in hoger beroep heeft aangevoerd geen twijfel heeft opgeroepen over de juistheid van de voor haar in de FML vastgestelde functionele mogelijkheden. 4.
  10. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde beperkingen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies van wikkelaar, samensteller

(267050), machinebediende inpak
(271093)en medewerker kleding en textielreiniging
(111161)voor appellante geschikt zijn. De belasting van de functies overschrijdt de belastbaarheid van appellante niet.
  1. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  2. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september
  3. (getekend) M.C. Bruning (getekend) N. Veenstra UM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.