15/1126 WUV Datum uitspraak: 28 januari 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [Appellant] te [plaatsnaam] , Verenigde Staten van Amerika (appellant) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 december 2014, kenmerk BZ01757410 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december
- Daar is appellant niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is geboren in 1931 in het toenmalig Nederlands-Indië. In mei 2009 heeft hij verzocht om toekenningen op grond van de Wuv. In dat verband is gesteld dat hij - samen met zijn oudere broer [naam broer] - tijdens de Japanse bezetting in het Halimoenkamp geïnterneerd is geweest. Bij besluit van 29 december 2009, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 24 januari 2011, is deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Het tegen het besluit van 24 januari 2011 ingestelde beroep is bij uitspraak van 15 maart 2012 (nummer 11/1711 WUBO, ECLI:NL:CRVB:2012:BV8974) gegrond verklaard, dat besluit is vernietigd en verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. 1.
- Bij het ter uitvoering van de uitspraak van 15 maart 2012 genomen besluit van 11 september 2012 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 5 september 2013 (nummer 12/6211 WUV, ECLI:NL:CRVB:2013:1671) ongegrond verklaard. De Raad heeft moeten vaststellen dat ook het nadere onderzoek van verweerder, waarbij is gepoogd de door appellant genoemde personen te achterhalen en te benaderen, geen bevestiging heeft opgeleverd dat appellant in de periode van 1 mei 1945 tot 15 augustus 1945 in het Halimoenkamp geïnterneerd is geweest. 1.
- In februari 2014 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om hem in aanmerking te brengen voor toekenningen op grond van de Wuv. Bij besluit van 2 mei 2014, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding zouden kunnen geven de eerdere beslissing te herzien.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 2.
- Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die verweerder bij het nemen van de eerdere besluiten niet bekend waren en die deze besluiten in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. 2.
- Zulke feiten en omstandigheden zijn niet naar voren gekomen. Appellant heeft wel een verklaring overgelegd van zijn jongere broer Herman Barend, waarin wordt bevestigd dat appellant in de hier van belang zijnde periode in het Halimoenkamp geïnterneerd is geweest, maar een verklaring van gelijke strekking is eerder ontleend aan het sociaal rapport dat namens Herman Barend is opgesteld in het kader van zijn eigen aanvraag en waarbij hij heeft verklaard over zijn eigen oorlogsrelaas en dat van zijn familieleden. Die aan het sociaal rapport ontleende verklaring is door de Raad, in het licht van de overige gegevens, in de onder 1.2 genoemde uitspraak onvoldoende geacht om op basis daarvan een internering aannemelijk te achten. De Raad ziet geen aanleiding nu anders te concluderen. Zoals de Raad toen ook al heeft overwogen, heeft appellant in de verklaring die hij in 1991 heeft afgegeven ten behoeve van zijn broer [naam broer] niet vermeld dat hij samen met [naam broer] geïnterneerd is geweest en heeft ook de vader van appellant daar geen melding van gemaakt. 2.
- Ter voorlichting aan appellant wordt nog het volgende overwogen. Anders dan appellant veronderstelt, heeft verweerder hem niet tegengeworpen dat Herman Barend niet uit eigen waarneming kan verklaren dat appellant geïnterneerd is geweest in het Halimoenkamp. De briefwisseling van december 2011, waarop appellant dit baseert, betreft enkel de vindplaats van de (oorspronkelijke) verklaring van Herman Barend. 2.
- Gezien het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het ingestelde beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari
- (getekend) B.J. van de Griend (getekend) C.A.W. Zijlstra HD