14/4759 WUV Datum uitspraak: 28 januari 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [appellante] te [appellante] , Verenigde Staten van Amerika (appellante) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P. Lesquillier, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juni 2014, kenmerk BZ01698390 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december
- Namens appellante is verschenen mr. Lesquillier. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante, geboren in 1936 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in juli 2008 een zogenoemde samenloopaanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv dan wel de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, naar gelang het gunstigst is. Verweerder heeft, voor zover hier van belang, de Wuv-aanvraag afgewezen bij besluit van 13 november 2008 op de grond dat niet kan worden vastgesteld dat appellante vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. De oorlogsomstandigheden van appellante hebben verweerder geen aanleiding gegeven te onderzoeken of appellante met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Tegen het besluit van 13 november 2008 heeft appellante geen bezwaar gemaakt. 1.
- In juni 2013 heeft appellante verzocht het besluit van 13 november 2008 te herzien. Dat verzoek is door verweerder afgewezen bij besluit van 14 oktober 2013 en na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat appellante geen nieuwe feiten of gegevens naar voren heeft gebracht die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. 1.
- In beroep is van de zijde van appellante aangevoerd dat appellante als jong kind heeft blootgestaan aan diverse vormen van terreur en psychisch belastende omstandigheden, veroorzaakt door de Japanse bezetter. Gewezen is op de aanwezigheid van appellante bij het wegvoeren van haar vader en zuster, de mishandeling van de zuster en de invallen en huiszoekingen die hebben plaatsgevonden waarbij een zuster zich moest ontkleden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 2.
- Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellante feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. 2.
- Van dergelijke gegevens is ook de Raad niet gebleken. Niet wordt betwist dat appellante geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Van met de vervolging vergelijkbare omstandigheden die er toe kunnen leiden dat appellante met de vervolgde kan worden gelijkgesteld is ook nu niet gebleken. De gestelde huiszoekingen en invallen door de Japanse bezetter zijn geen gebeurtenissen die onder de reikwijdte van de Wuv vallen. Verder is niet komen vast te staan dat het wegvoeren van appellantes vader en haar zuster gepaard is gegaan met excessief geweld, zodat geen aanleiding bestaat te onderzoeken of appellante met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 19 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:
- 2.
- Gezien het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de onder 2.1 omschreven terughoudende toets doorstaan. Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari
- (getekend) B.J. van de Griend (getekend) C.A.W. Zijlstra IJ