← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:3559

15/7703 WW-PV Datum uitspraak: 7 september 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 oktober 2015, 15/4540 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Zitting heeft: mr. E. Dijt Griffier: N. van Rooijen, Ter zitting van 7 september 2016 is appellant, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser. De rechter heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat mondeling uitspraak wordt gedaan. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen: 1.

  1. Bij besluit van 20 februari 2015 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 6 oktober
  2. Daarbij is appellant meegedeeld dat de WW-uitkering eindigt per 5 maart 2015, indien er in die tijd niets in zijn situatie verandert. 1.
  3. Het Uwv heeft bij besluit van 11 mei 2015 (bestreden besluit) het tegen het besluit van 20 februari 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv de berekening van de hoogte van de aan appellant betaalde WW-uitkering toegelicht.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat door appellant niet wordt betwist dat hem voor de maximale duur een WW-uitkering is toegekend. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de in het bestreden besluit uiteengezette berekening van de aan appellant toegekende WW-uitkering. Anders dan appellant heeft gesteld heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat appellant door de latere toekenning van WW-uitkering in zijn belangen is geschaad.
  5. In hoger beroep heeft appellant de door hem aangevoerde gronden in bezwaar en beroep gehandhaafd. Daarnaast heeft appellant gesteld dat hij in zijn procespositie is geschaad omdat hij niet in de bezwaarprocedure is gehoord. De rechtbank had volgens appellant in de aangevallen uitspraak moeten motiveren waarom dit vormverzuim is gepasseerd.
  6. De rechtbank heeft in wat appellant daarover heeft aangevoerd geen aanleiding gezien tot twijfel aan de juistheid van de berekening van de hoogte van de WW-uitkering van appellant. In hoger beroep heeft appellant daartegen niets aangevoerd. Dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering worden onderschreven. Voor zover appellant heeft gesteld dat het Uwv de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb neergelegde hoorplicht in bezwaar heeft geschonden slaagt deze grond niet. Vaststaat dat appellant in een brief van 20 april 2015 aan de gemachtigde van appellant door het Uwv in de gelegenheid is gesteld om een afspraak te maken voor een hoorzitting. Appellant heeft daar echter niet op gereageerd. Aangezien het Uwv in deze brief appellant erop heeft gewezen, dat er in dat geval van wordt uitgegaan dat appellant geen behoefte heeft aan een hoorzitting, was een hoorzitting niet verplicht. Appellant is daarom door het feit dat de rechtbank geen overweging heeft gewijd aan de vraag of appellant in bezwaar is gehoord niet in zijn belang geschaad. Dit is dan ook geen reden voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.
  7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) N. van Rooijen (getekend) E. Dijt UM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.