15/2915 WIA Datum uitspraak: 30 september 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 april 2015, 15/1317 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. Verschuren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus
- Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Verschuren en het Uwv door drs. M.P.W.M. Wiertz. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 28 juli 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 15 augustus 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.2 Bij besluit op bezwaar van 26 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard onder de overweging dat appellante in staat is haar eigen werk van directiesecretaresse alsmede de geduide functies te verrichten.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) zorgvuldig was. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Er is geen aanleiding aan te nemen dat appellante niet in staat zou zijn de geduide functies te verrichten. 3.
- Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij een journaal van de huisarts en een medicatieoverzicht overgelegd. 3.
- Het Uwv heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van wat zij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad sluit zich daarbij aan. De in hoger beroep door appellante overgelegde medische informatie leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 9 augustus 2016 inzichtelijk gemotiveerd waarom deze medische informatie geen aanleiding vormt voor het aannemen van meer beperkingen in de FML. Dat appellante migraineklachten had, was bekend. Uit het huisartsjournaal blijkt echter niet dat zij die klachten ook had op de datum in geding; op 22 augustus 2014 meldde zij die klachten niet bij de huisarts en zij gebruikte er toen geen medicijnen tegen. 4.
- De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat appellante, met de in de FML opgenomen beperkingen, in staat moet zijn om de geduide functies te verrichten. 4.3 Het hoger beroep slaagt niet.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september
- (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) I.G.A.H. Toma UM