← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:3719

15/7042 WMO-PV Datum uitspraak: 28 september 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 september 2015, 15/2835 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Zitting heeft: R.M. van Male Griffier: B. Dogan Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen: 1.

  1. Bij besluit van 5 augustus 2013 heeft het college aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning een voorziening toegekend voor huishoudelijke hulp voor één uur en 45 minuten per week, voor de periode van 6 april 2013 tot en met 5 april 2018, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). In het besluit en in een bijlage bij het besluit zijn de verplichtingen omschreven die aan het pgb zijn verbonden. 1.
  2. Bij besluit van 26 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 maart 2015 (bestreden besluit), heeft het college het pgb van appellant voor het jaar 2014 herzien en de betaalde voorschotten ten bedrage van € 1.408,32 van appellant teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant de besteding van het pgb niet overeenkomstig de regels heeft verantwoord, omdat appellant geen bankafschriften of betaalbewijzen heeft overgelegd.
  3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant het pgb niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels heeft verantwoord. Het college was daarom bevoegd om de toekenning van het pgb te herzien en de over 2014 betaalde voorschotten van appellant terug te vorderen. Het college heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Voorts heeft het college geen aanleiding hoeven zien voor toepassing van de hardheidsclausule. 3.
  4. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat van een individuele beoordeling van zijn situatie door het college geen sprake is geweest. Hij heeft geen zorgverlener kunnen vinden die een zorgovereenkomst met hem heeft willen sluiten. Hij heeft wisselende zorgverleners gehad die geen betaling per bank wilden accepteren. Het college was hiervan op de hoogte. Het college heeft onzorgvuldig gehandeld door aan appellant toch een pgb te verstrekken. Verder heeft het college nagelaten begeleiding aan appellant te bieden bij de verantwoording van het pgb. Appellant heeft verzocht om veroordeling van het college tot vergoeding van geleden en nog te lijden schade. 3.
  5. Het college heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd en geconcludeerd tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. De Raad is van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak overtuigend heeft gemotiveerd dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot herziening en terugvordering van het pgb gebruik heeft kunnen maken dan wel dat het college in die omstandigheden aanleiding had moeten zien voor toepassing van de hardheidsclausule. De Raad maakt die overwegingen tot de zijne. 4.
  8. De Raad voegt hier nog aan toe dat geen rechtsregel het college verplicht om de budgethouder te begeleiden bij de verantwoording van het pgb. Het is immers aan de budgethouder om de besteding van het bij wijze van voorschot verstrekte pgb te verantwoorden overeenkomstig de daarvoor geldende regels. Tegen deze achtergrond bezien kan niet staande worden gehouden dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door ook voor 2014 voorschotten ten titel van pgb aan appellant uit te keren. 4.
  9. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden dient te worden bevestigd en dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.
  10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) B. Dogan (getekend) R.M. van Male Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep. SS

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.