15/2468 WWB Datum uitspraak: 11 oktober 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 maart 2015, 14/1441 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling WerkSaam Westfriesland (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Krachtens een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur met ingang van 1 januari 2015 de bevoegdheden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik met uitzondering van de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag. Onder dagelijks bestuur wordt hierna, voor zover van toepassing, tevens het college begrepen. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus
- Appellant is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Mentink. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontving ten tijde in geding bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande. 1.
- Bij brieven van 8 en 30 april 2014 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek over de arbeidsmogelijkheden van appellant. Bij besluit van 16 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, de bezwaren tegen deze brieven niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat dit geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- In dit geding ligt de vraag voor of de brieven van 8 en 30 april 2014 besluiten bevatten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ingevolge deze bepaling wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt gedoeld op een handeling gericht op rechtsgevolg. 4.
- In de brief van 8 april 2014 heeft het dagelijks bestuur het volgende meegedeeld: “Aan een bijstandsuitkering zijn rechten en plichten verbonden. Zo moet u zo snel mogelijk (weer) in uw eigen onderhoud kunnen gaan voorzien. Bijvoorbeeld doordat u (weer) aan het werk gaat of uw kansen op werk vergroot.” (…) “In het kader van de voortgang van uw re-integratie nodig ik u uit voor een rondleiding bij het bedrijf [naam bedrijf] in [plaatsnaam]. Op woensdag 16 april 2014 verwacht ik u om 10.30 uur op het adres [Adres] in [plaatsnaam].” (…) “U bent verplicht naar dit gesprek te komen (artikel 9 WWB).” Bij de brief van 30 april 2014 heeft het dagelijks bestuur vastgesteld dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan deze uitnodiging voor een gesprek en appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. 4.
- Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de vraag in 4.1 ten onrechte ontkennend heeft beantwoord. Volgens appellant bevatten de brieven van 8 en 30 april 2014 handelingen gericht op rechtsgevolg. Dit betoog treft geen doel. De in artikel 9, eerste lid, van de WWB neergelegde re-integratieverplichting is van rechtswege aan de bijstand verbonden. De mededelingen in de brieven met betrekking tot deze verplichting moeten worden opgevat als een herinnering aan deze verplichting. Van de zijde van het dagelijks bestuur is ter zitting benadrukt dat appellant destijds (nog) niet deelnam aan een re-integratietraject. Het gesprek waarvoor appellant was uitgenodigd had als doel zijn mogelijkheden tot re-integratie in algemene zin te bespreken. De rondleiding bij [naam bedrijf] was bedoeld als oriëntatie. Bij dit bedrijf werden uiteenlopende werkzaamheden verricht. Van een nadere concretisering van de re-integratieverplichting was dan ook geen sprake. 4.
- Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober
- (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) J. Tuit HD