14/6028 AOW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 september 2014, 13/5452 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. Schaap, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2016. Appellante en haar gemachtigde zijn daarbij verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is op [geboortedatum] 1948 geboren in Polen. Zij is daar op 24 januari 1976 gehuwd met [naam echtgenoot] , geboren op [geboortedatum] 1950. De echtgenoot van appellante is in 1981 naar Nederland gekomen en is hier te lande vanaf 15 december 1981 verzekerd geweest ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellante is aanvankelijk nog in Polen gebleven en aldaar is zij blijkens een door het Poolse uitvoeringsorgaan ZUS verstrekt E205 formulier verplicht verzekerd gebleven tot 1 april 1983. In september 1983 heeft appellante zich in Nederland gevestigd bij haar echtgenoot. Sindsdien woont zij hier te lande. In 1995 is appellante gescheiden van haar echtgenoot. 1.2. In december 2012 heeft appellante een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de AOW ingediend bij de Svb. 1.3. Bij besluit van 15 april 2013 heeft de Svb aan appellante met ingang van 15 februari 2013 een ouderdomspensioen krachtens de AOW toegekend ter hoogte van 60% van het pensioen voor een alleenstaande. Daarbij is appellante niet verzekerd geacht krachtens de AOW van 15 februari 1963 tot 1 april 1983. 1.4. Bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante, gedurende het tijdvak van 15 december 1981 tot 1 april 1983, toen haar echtgenoot in Nederland verzekerd was ingevolge de AOW, in Polen verzekerd was ingevolge de Poolse wettelijke regeling, zodat dit tijdvak op grond van Bijlage XI bij Verordening EG nr. 883/2004 (Vo 883/2004) niet als verzekerd tijdvak in aanmerking kan worden genomen. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep is namens appellante wederom aangevoerd dat het bestreden besluit is gebaseerd op foutieve informatie van het Poolse uitvoeringsorgaan. Appellante meent dat de Svb bij het Poolse orgaan had moeten navragen of wel de juiste informatie is verstrekt. Tijdens de zitting is nader toegelicht dat appellante van mening is dat het Poolse pensioen moet worden aangemerkt als een bedrijfspensioen en niet als een wettelijk pensioen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellante gedurende het tijdvak van 15 december 1981 tot 1 april 1983 niet aangemerkt kan worden als verzekerd krachtens op de AOW op grond van Bijlage XI bij Vo 883/2004. 4.2. In artikel 2, sub d en e, van Bijlage XI, Nederland, bij Vo 883/2004 is het volgende bepaald: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.