← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:3865

15/2905 WIA en 15/4822 WIA Datum uitspraak: 23 september 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 maart 2015, 14/6693 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen Griffier: I.G.A.H. Toma Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door haar vader en tevens haar gemachtigde, mr. C.A.W.M. Fiscalini. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep ongegrond. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

  1. De brief van 8 juli 2015, ingediend door het Uwv, wordt aangemerkt als incidenteel hoger beroepschrift nu deze binnen de termijn als bedoeld in artikel 8:110, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de Raad is binnen gekomen. Dat in de brief van 8 juli 2015 het woord “incidenteel” ontbreekt, maakt niet dat daarmee geen sprake is van incidenteel hoger beroep. Uit de bewoordingen in de brief van 8 juli 2015 en in het verweerschrift van 22 juli 2015 van het Uwv naar aanleiding van het door appellante ingestelde hoger beroep, blijkt de intentie incidenteel hoger beroep in te stellen.
  2. Namens het Uwv is, onder verwijzing naar de uitspraak van deze Raad van 10 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2993, terecht aangevoerd dat er geen sprake is van relevante wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage indien dit onder de 35% blijft nu dit geen gevolg heeft voor een inkomenseis omdat deze voor appellante bij het ontbreken van een recht op WIA-uitkering niet geldt. Hierdoor is er geen sprake van een verandering van de rechtspositie van appellante ten opzichte van het Uwv. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte het primaire besluit herroepen als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb en vervolgens het beroep gegrond verklaard. Het voorgaande betekent dat het incidenteel hoger beroep van het Uwv slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2014 ongegrond verklaard.
  3. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank het Uwv ten onrechte heeft veroordeeld in de reiskosten van appellante alsmede ten onrechte aan het Uwv heeft opgedragen om het griffierecht aan appellante te vergoeden. Namens het Uwv is ter zitting meegedeeld dat appellante deze bedragen niet aan het Uwv hoeft terug te betalen. Ten overvloede wordt naar aanleiding van het door appellante ingestelde hoger beroep nog opgemerkt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de door de vader van appellante, professioneel, op zakelijke basis, verleende rechtsbijstand ondanks een familieverhouding, voor vergoeding in aanmerking kan komen indien men niet tot eenzelfde huishouding behoort.
  4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier. De voorzitter. (getekend) I.G.A.H. Toma (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.