15/2718 WIA Datum uitspraak: 14 oktober 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 maart 2015, 14/7141 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Westendorp. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant ontvangt vanaf 4 februari 2006 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). 1.
- Bij besluit van 8 november 2013 heeft het Uwv deze uitkering over de periode 21 december 2009 tot en met 2 december 2012 herzien, omdat appellant in die periode zodanige inkomsten uit arbeid heeft gehad dat hij geen recht had op uitkering. Het Uwv heeft een bedrag van € 22.955,10 van appellant teruggevorderd. 1.
- Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 30 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de onderzoeksrapporten van de opsporingsfunctionaris van het Uwv en van de politie is gebleken dat appellant inkomsten heeft genoten over de in geding zijnde periode. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden die de stelling van appellant onderbouwen dat hij geen inkomsten dan wel maximaal € 1.000,= aan inkomsten heeft gehad. Ook de stelling van appellant dat hij wegens knieklachten, een operatie en revalidatie gedurende één jaar niet heeft kunnen werken heeft de rechtbank niet gevolgd omdat deze stelling niet is onderbouwd. Het Uwv heeft dan ook terecht de uitkering herzien. Het Uwv was dus verplicht de uitkering van appellant terug te vorderen. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien zijn gesteld noch gebleken. Wat betreft de hoogte van de terugvordering komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat het gerechtshof Den Haag het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verlaagd naar € 102.000,= omdat ook dan de inkomsten van appellant hoger waren dan het bedrag dat aan WIA-uitkering is betaald. 3.
- Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Hij stelt zich primair op het standpunt dat hij in de genoemde periode geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten, subsidiair dat uit de stukken van de strafzaak kan worden opgemaakt dat hij maximaal € 1.000,= heeft verdiend en uiterst subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat het terugvorderingsbedrag met één derde moet worden verminderd omdat hij wegens knieklachten gedurende één jaar niet heeft kunnen werken. 3.
- Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan. 4.
- In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv beschikkingen op grond van deze wet herziet of intrekt, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van het derde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn. 4.
- Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft ingediend. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Uit het arrest van het gerechtshof Den Haag is niet af te leiden dat appellant zodanig minder inkomsten heeft gehad, dat hij in de periode in geding (deels) recht had op een WIA-uitkering. Het gerechtshof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel immers vastgesteld op € 102.249,=. 4.
- In hoger beroep heeft appellant een verklaring van de behandelend orthopaedisch chirurg van 14 februari 2012 overgelegd. Op 25 januari 2012 werd een artroscopie verricht van de rechterknie. De knie werd gespoeld en er werd een synovectomie gedaan. Postoperatief waren er geen complicaties, behalve dat appellant opnieuw was gevallen, waardoor hij pijn had. Uit deze verklaring blijkt niet dat appellant gedurende langere tijd geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en H.G. Rottier en H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober
- (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) L.H.J. van Haarlem UM