← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:3895

15/7867 PW Datum uitspraak: 18 oktober 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2015, 15/4425 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. T. Ertekin, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 26 juli

  1. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Bij besluit van 10 februari 2015 heeft het college aan appellant per 18 juli 2014 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) toegekend naar de norm voor gehuwden. In dit besluit zijn de aan de bijstand verbonden verplichtingen opgenomen, waaronder de in artikel 9 van de PW bedoelde verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. 1.
  4. Bij besluit van 11 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de bij het besluit van 10 februari 2015 opgelegde arbeidsverplichtingen niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat deze verplichtingen voortvloeien uit de wet, zodat het niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen het opleggen van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de PW.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 24 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD5413), overwogen dat de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW van rechtswege aan de bijstand verbonden zijn en dat de mededeling dat de arbeidsverplichtingen van toepassing zijn, daarom niet gericht is op enig rechtsgevolg. Hieruit volgt dat de mededeling in het besluit van 10 februari 2015, waarbij appellant is gewezen op de op hem rustende arbeidsverplichtingen, niet op rechtsgevolg is gericht en daarom niet aan te merken is als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het bezwaar van appellant dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
  6. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de mededeling dat de arbeidsverplichtingen aan de bijstand zijn verbonden wel als een besluit heeft te gelden.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. 4.
  9. Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober
  11. (getekend) E.C.R. Schut (getekend) A.M.C. de Vries HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.