14/874 WWB-T Datum uitspraak: 28 oktober 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014, 13/6585 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling van de schade. Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om vergoeding van schade ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Helvoort. De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend en nadere vragen gesteld aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Namens de Minister van Buitenlandse Zaken is op deze vragen gereageerd. Het college heeft op de briefwisseling tussen de Raad en de Minister van Buitenlandse Zaken gereageerd en een vraag van de Raad beantwoord. Appellant heeft een reactie ingezonden. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 26 augustus 2016. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborn. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant heeft de Franse nationaliteit en is daarmee burger van de Europese Unie (EU). Hij is in februari 2012 Nederland ingereisd en stond sinds 13 juni 2012 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam (GBA) ingeschreven met een woonadres in Amsterdam. Appellant heeft zich op 7 november 2012 bij het Werkbedrijf van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ingeschreven als werkzoekende. In december 2012 heeft appellant via een uitzendbureau werkzaamheden als postsorteerder verricht. 1.2. Op 1 augustus 2013 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 12 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen verblijfsrecht heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat. In de GBA stond appellant geregistreerd met verblijfscode 30, die bestemd is voor werkzoekende EU-onderdanen en uit navraag bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) is gebleken dat deze code juist is. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat uit artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38 (Richtlijn) volgt dat aan burgers van de Unie, die naar Nederland zijn gekomen om werk te zoeken, geen bijstand hoeft te worden verleend. Appellant heeft bevestigd dat hij als werkzoekende naar Nederland is gekomen en dat hij alleen in december 2012 gedurende één maand uitzendwerk heeft verricht. Het college heeft bij de IND onderzoek gedaan naar de verblijfscode van appellant en heeft gecontroleerd of deze juist is. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college medegedeeld dat van de zijde van het Koppelingsbureau kort voor de zitting nogmaals is bevestigd dat de verblijfscode ongewijzigd is gebleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarmee aan zijn onderzoeksplicht voldaan. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat een GBA-code niet bepaalt of een vreemdeling tot de kring van WWB-gerechtigden behoort. Hij heeft gewerkt en heeft daarom de werknemerstatus. Ook indien korter dan één jaar wordt gewerkt behoudt een werknemer namelijk de status van werknemer. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij staat ingeschreven als student bij de Open Universiteit. Voorts heeft appellant zich beroepen op een verwijsbrief van de Maatschappelijke Dienstverlening Amsterdam Zuid-Oost en Diemen (MaDi) aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI). Ten slotte heeft appellant een verzoek om toekenning van schadevergoeding gedaan. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De te beoordelen periode loopt van 1 augustus 2013, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 12 september 2013, de datum waarop het besluit op de aanvraag is genomen. Het recht van de Europese Unie 4.2.1. In artikel 18, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is bepaald dat binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit is verboden. 4.2.2. In artikel 20, eerste lid, van het VWEU is – voor zover hier van belang – bepaald dat een burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. 4.2.3. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het VWEU, heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Uit artikel 21, eerste lid, van het VWEU vloeit voort dat het verblijfsrecht wordt aangenomen, indien en zo lang het onderzoek naar de beperkingen en voorwaarden, zoals onder meer vermeld in de Richtlijn, niet heeft uitgewezen dat daaraan niet wordt voldaan. 4.2.4. Ingevolge de artikelen 45 en 49 van het VWEU, in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven als hij werknemer of zelfstandige is. Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Richtlijn behoudt een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is zijn status van werknemer of zelfstandige, in de volgende gevallen: “a. hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt; b. hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven; c. hij bevindt zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden; d. hij start met een beroepsopleiding. Behalve in geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van de status van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en deze opleiding.” 4.2.5. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn – voor zover thans van belang – behouden burgers van de Unie en hun familieleden het verblijfsrecht van artikel 7 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden. In artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn is bepaald dat burgers van de Unie die het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken, niet kunnen worden verwijderd zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld. 4.2.6. Uit het eerste lid van artikel 24 van de Richtlijn volgt dat iedere burger van de EU die op het grondgebied van een gastland verblijft in beginsel dezelfde behandeling geniet als de onderdaan van dat gastland. In het tweede lid van dat artikel zijn de uitzonderingen op dit beginsel opgenomen. Het gastland is niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen gedurende de eerste drie maanden van verblijf, of, in voorkomend geval, de in artikel 14, vierde lid, onder b, bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden. 4.2.7. In artikel 11, eerste lid, van de WWB is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid is bepaald dat met een Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn. 4.3. Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onderdeel e, van de Vw 2000. Evenmin is in geschil dat appellant als werkzoekende naar Nederland is gekomen en in de te beoordelen periode reeds langer dan drie maanden maar niet langer dan vijf jaar in Nederland verblijf hield. Tussen partijen is in geschil of appellant in de te beoordelen periode terecht is aangemerkt als werkzoekende en op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB geen aanspraak op bijstand heeft. In dit verband is allereerst van belang de partijen verdeeld houdende vraag of appellant in de te beoordelen periode zijn status van werknemer heeft behouden. 4.4.1. Uit overleg dat het college met het Koppelingsbureau van de IND heeft gevoerd, is gebleken dat appellant zowel op dat moment als in de te beoordelen periode is aangemerkt als werkzoekende. Anders dan appellant stelt, heeft het onderzoek van het college zich niet beperkt tot het verifiëren van de GBA-code. Het college heeft voorts terecht het standpunt ingenomen dat appellant niet valt onder de in 4.2.4 genoemde gevallen waarin de status van werknemer behouden blijft. Appellant heeft immers alleen in de maand december 2012 werkzaamheden op uitzendbasis verricht en heeft daarna niet meer gewerkt. Voor zover appellant nog een beroep heeft willen doen op artikel 7, derde lid, onder d, van de Richtlijn omdat hij een cursus Praktische Psychologie heeft gevolgd en zich heeft ingeschreven bij de Open Universiteit voor de studie Cultuurpsychologie, slaagt dit beroep alleen al niet omdat geen sprake is van een verband tussen zijn voorafgaande werkzaamheden als postsorteerder en deze opleidingen. Dit betekent dat appellant zijn status van werknemer niet heeft behouden en terecht als werkzoekende in de zin van de Richtlijn is aangemerkt. 4.4.2. De vraag of de (automatische) uitsluiting in de nationale regeling van het recht op bijstand van onderdanen van een andere lidstaat die werkzoekende zijn, verenigbaar is met artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn en met de artikelen 18 VWEU en 45, tweede lid, van het VWEU, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) bevestigend beantwoord in het arrest van 15 september 2015, Alimanovic, C-67/14 (ECLI:EU:C:2015:597). Het Hof heeft daarbij onder meer overwogen dat een individueel onderzoek naar de vraag of de betrokken persoon in het kader van diens verblijf een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel teweegbrengt, in een situatie als deze niet is geboden. Volgens het Hof houdt de Richtlijn zelf rekening met verschillende factoren die de individuele situatie van elke aanvrager van een sociale prestatie kenmerken, door een gradueel stelsel van behoud van de status van werknemer in het leven te roepen, dat ertoe strekt het verblijfsrecht en de toegang tot de sociale prestaties veilig te stellen (punten 59 en 60). Het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB) 4.5.1. In het in 4.4.2 genoemde arrest Alimanovic heeft het Hof onder de toepasselijke bepalingen van het internationale recht de artikelen 1 en 16 van het EVSMB opgenomen. Blijkens de feiten van het arrest Alimanovic was de in de Duitse wetgeving op artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn gebaseerde uitsluitingsregel van bijstand voor werkzoekende burgers van de Unie aanvankelijk niet van toepassing op de Zweedse familie Alimanovic, omdat deze regel opzij moest worden geschoven krachtens het in artikel 1 van het EVSMB vervatte non-discriminatiebeginsel. Hieraan lag een uitspraak van het Bundessozialgericht van 19 oktober 2010 (B 14 AS 23/10 R) ten grondslag, waarin met betrekking tot een vergelijkbare zaak was geoordeeld dat deze uitsluitingsregel in strijd was met het EVSMB. De Duitse bijstandverlenende organen hebben in navolging van deze uitspraak de nationale uitsluitingsbepaling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.