15/4820 WIA-PV Datum uitspraak: 7 oktober 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 juni 2015, 15/1289 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen Griffier: A.M.C. de Vries Partijen zijn ter zitting niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellante heeft voorheen een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen. In september 2014 heeft appellante verzocht om herbeoordeling. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 26 november 2014 aan appellante met ingang van 16 september 2014 een IVA-uitkering op grond van dezelfde wet toegekend. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt bij een brief van 8 januari
- De brief is door appellante bij de balie van een Uwv-kantoor afgegeven op 13 januari
- Bij besluit van 11 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en dat wat appellante naar voren heeft gebracht geen omstandigheid is die meebrengt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Zij wijst erop dat zij een brief van 24 november 2014 heeft ontvangen waarin niet is beschreven dat zij in bezwaar kon gaan. Appellante heeft pas eind december kennis genomen van het besluit van 26 november 2014 en heeft de bezwaarclausule – die op de achterste bladzijde staat – aanvankelijk over het hoofd gezien. Zij had zich ook niet meteen gerealiseerd dat het nodig zou zijn bezwaar te maken tegen een voor haar gunstige beslissing. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift is ingediend na de wettelijke voorgeschreven termijn van zes weken, die duurde tot en met 7 januari
- In artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De omstandigheden die appellante heeft aangevoerd zijn onvoldoende om aan te nemen dat zij niet in staat is geweest, zo nodig met hulp van een derde, tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Daaraan doet niet af dat appellante – naar haar zeggen – vóór september 2014 door het Uwv niet is uitgenodigd voor een herbeoordeling. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. De Raad heeft gelezen wat appellante heeft geschreven over haar recht op IVA-uitkering, maar kan daar niets over zeggen omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) A.M.C. de Vries (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen JvC