15/378 WWB, 15/2311 WWB Datum uitspraak: 15 november 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 december 2014, 14/1754 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend en een besluit van 25 maart 2015 (nader besluit) aan de Raad gezonden. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden met de zaken 15/377 WWB en 15/2309 WWB op 4 oktober
- Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Guliker. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant heeft op 24 januari 2014 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand. 1.
- Bij besluit van 1 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de aanvraag om bijzondere bijstand niet tijdig is ingediend, nu deze betrekking heeft op kosten die zijn opgekomen in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Geen sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opdracht gegeven een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het college bij de totstandkoming van het bestreden besluit niet heeft getoetst aan de vaste gedragslijn, inhoudende dat een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand tijdig is ingediend wanneer de aanvraag binnen vier weken na dagtekening van het meest recente bewijsstuk - de toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) of de factuur van de advocaat - is ingediend. Deze vaste gedragslijn moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft hiertoe, samengevat, aangevoerd dat in het door het college gehanteerde beleid geen termijn - en zeker niet een termijn van vier weken - wordt gehanteerd waarbinnen een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand moet worden ingediend.
- Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nader besluit de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand opnieuw afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de aanvraag om bijzondere bijstand ziet op toevoegingen van de RvR en facturen van de advocaat die ouder zijn dan vier weken, gerekend vanaf de datum waarop de bijzondere bijstand is aangevraagd. Dit betekent dat de aanvraag om bijzondere bijstand niet tijdig is ingediend.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
- De Raad zal het nader besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken. 5.
- Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2715) komen de kosten van rechtsbijstand op de dag dat de rechtsbijstandverlener het besluit van de RvR tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen. Dit betekent dat bijzondere bijstand voor een bij een toevoeging vastgestelde, door de rechtzoekende te betalen, eigen bijdrage uiterlijk op deze dag dient te worden aangevraagd. Op deze dag wordt de rechtzoekende geacht op de hoogte te zijn van de toevoeging en de eigen bijdrage, omdat die mede namens hem door de rechtsbijstandverlener is aangevraagd. 5.
- Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de door het college gehanteerde vaste gedragslijn, zoals onder 2 weergegeven, moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2509) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. 5.
- De stelling van appellant dat het college in de praktijk een ruimere termijn dan vier weken hanteerde voor de indiening van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand wordt niet gevolgd. Appellant heeft geen enkel bewijs aangedragen ter onderbouwing van deze stelling. Nu de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand betrekking heeft op toevoegingen, die reeds op 12 oktober 2012, 3 mei 2013 en 10 september 2013 aan de rechtsbijstandverlener zijn verzonden en de aanvraag om bijzondere bijstand pas op 24 januari 2014 is ingediend, heeft het college - in overeenstemming met zijn beleid - terecht het standpunt ingenomen dat deze aanvraag te laat is ingediend. 5.
- Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. 5.
- Tegen de wijze waarop het college met het nader besluit uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak, heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd. Nu het nader besluit in overeenstemming is met de opdracht van de rechtbank aan het college, moet het beroep tegen dit besluit, gelet op 5.5, ongegrond worden verklaard.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep tegen het besluit van 25 maart 2015 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november
- (getekend) W.H. Bel (getekend) J.L. Meijer HD