13/6554 AWBZ Datum uitspraak: 30 november 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 oktober 2013, 12/1736 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) CIZ (CIZ) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld. CIZ heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november
- Namens appellante is [naam] verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt en T. Hoolsema. Het onderzoek ter zitting is geschorst ten behoeve van overleg tussen partijen in bijzijn van het Zorgkantoor om tot een duurzame oplossing te komen voor de zorgbehoefte van appellante. CIZ heeft bij brief van 14 januari 2016 verslag gedaan van het overleg. Appellante heeft hierop bij brieven van 25 januari 2016, 24 april 2016 en 4 oktober 2016 gereageerd, waarbij zij nadere stukken heeft ingediend. Het onderzoek ter zitting is hervat op 19 oktober
- Namens appellante is [naam] verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Maris-Kindt. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 8 maart 2012 heeft CIZ op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aan appellante een indicatie verleend voor een zorgzwaartepakket (ZZP) VV08, voor de periode van 3 maart 2012 tot en met 2 maart
- 1.
- Bij besluit van 4 juli 2012 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. CIZ heeft zich hierbij op het standpunt gesteld niet bevoegd te zijn om additionele zorg bij een ZZP te indiceren.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en het griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:BZ2557) onder meer overwogen dat CIZ na 1 januari 2012 niet meer bevoegd is om meer zorg te indiceren dan is begrepen in een ZZP. Met CIZ is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
- Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Partijen zijn ter zitting van de Raad overeengekomen dat de indicatie van CIZ zoals vervat in het besluit van 8 maart 2012 inhoudt dat aan appellante voor de periode van 3 maart 2012 tot en met 2 maart 2027 primair een indicatie wordt verleend voor een ZZP VV08 en subsidiair, indien en voor zover van belang ten behoeve van het verkrijgen van een persoonlijk assistentie budget en/of meer zorg als bedoeld in de Regeling zorgaanspraken AWBZ en/of de Regeling langdurige zorg, een indicatie voor een ZZP LG
- 4.
- Uit het voorgaande volgt dat CIZ zich niet langer achter de inhoud van het bestreden besluit en het besluit van 8 maart 2012 stelt. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit, evenals de aangevallen uitspraak, dienen te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en onder herroeping van het besluit van 8 maart 2012 bepalen dat appellante wordt geïndiceerd op de onder 4.1 omschreven wijze.
- Aanleiding bestaat CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, op € 992,- in beroep en op € 496,- in hoger beroep, in totaal € 2.480,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het besluit van 8 maart 2012 en bepaalt dat appellante wordt geïndiceerd op de onder 4.1 omschreven wijze; veroordeelt CIZ in de proceskosten in bezwaar, beroep en in hoger beroep van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.480,-; bepaalt dat CIZ het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november
- (getekend) R.M. van Male (getekend) G.J. van Gendt NW