← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:4599

15/4906 WIA Datum uitspraak: 2 december 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2015, 15/1287 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober

  1. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant, werkzaam geweest als chauffeur medicijnvervoer, heeft naar aanleiding van een hem overkomen verkeersongeval in 2009 een aanvraag gedaan om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Nadat de uitkering aanvankelijk werd geweigerd omdat appellant niet verzekerd werd geacht, is bij besluit van 13 juni 2014 geoordeeld dat appellant als verzekerd moet worden aangemerkt en heeft het Uwv de aanvraag alsnog in behandeling genomen. Na een medisch onderzoek, waarbij de verzekeringsarts kennis heeft genomen van een neurologische expertise van neurochirurg Th. A. Dokkum van 24 december 2010 en een deskundigenrapport van medisch adviesbureau Kruithof van 30 juli 2012, welk rapport in een letselschadezaak was opgesteld, heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat voor appellant beperkingen bestaan voor het vervullen van arbeid. Deze zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 juli
  3. Aansluitend heeft de arbeidsdeskundige appellant ongeschikt geacht voor de maatgevende arbeid en in staat geacht tot het vervullen van passende functies, op grond waarvan geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit. In lijn daarmee heeft het Uwv bij besluit van 21 augustus 2014 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 30 juli 2011 geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan. 1.
  4. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts niet objectief is geweest en haar rapport ten onrechte heeft gebaseerd op stukken van twee jaar geleden, zonder rekening te houden met de actuele medische situatie van appellant. Daarbij heeft appellant een brief van de neuroloog van 12 december 2014 ingezonden. Bij besluit van 22 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 augustus 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 december 2014, die de beoordeling van de verzekeringsarts heeft onderschreven, en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 januari 2015 ten grondslag gelegd.
  5. In beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen als gevolg van de nekklachten heeft onderschat. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft appellant nog een verwijsbrief van de huisarts van 6 april 2012, een specialistenbericht van de polikliniek neurologie van 23 november 2011 en diverse afspraakkaarten bij de poli anesthesie en de poli neurologie overgelegd. Het Uwv heeft hierin met verwijzing naar een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 maart 2015 geen aanleiding gezien het ingenomen standpunt te herzien.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig geacht. De verzekeringsarts heeft kennis genomen van de beschikbare medische informatie en daarnaast tevens een eigen medisch onderzoek verricht. De omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep behoudens psychiatrisch onderzoek volstaan heeft met dossierstudie heeft de rechtbank aanvaardbaar geacht, omdat in het dossier voldoende medische informatie over appellant beschikbaar was. Uit de beschikbare informatie blijkt niet dat appellant meer beperkt is dan neergelegd in de FML van 28 juli
  7. Appellant heeft in hoger beroep de eerdere gronden van bezwaar en beroep in essentie herhaald. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nog nadere medische informatie overgelegd. Het gaat onder meer om een (algemene) brief van team MCH (Medisch Centrum Haaglanden) Wervelkolomcentrum, afsprakenkaart bij het revalidatiecentrum, alsmede een brief van revalidatiearts H.J. Arwert van 14 juli
  8. Het Uwv heeft met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 augustus 2015 op de stukken gereageerd. Verder heeft appellant een brief van UMCG van 21 september 2016 ingezonden waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 13 oktober 2016 heeft gereageerd. 5.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
  10. De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en de beroepsgronden afdoende besproken. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Wat betreft de grond van appellant dat het Uwv ten onrechte geen informatie bij de behandelend sector heeft opgevraagd heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat daarvoor geen aanleiding bestond, omdat de bedoelde informatie al in het dossier aanwezig was. Wat betreft de in hoger beroep overgelegde medische stukken wordt overwogen dat geen aanleiding bestaat om het Uwv niet te volgen in zijn reactie dat deze stukken geen nieuwe medische informatie bevatten. In dat verband wordt nog benadrukt dat het in dit geval gaat om een beoordeling van de belastbaarheid met ingang van 30 juli
  11. De bevindingen bij onderzoek door de revalidatiearts op 14 juli 2015 raken de nu in geding zijnde beoordeling niet. Voorts wordt overwogen dat het Uwv bij het vaststellen van de belastbaarheid met ingang van 30 juli 2011 is uitgegaan van de beperkingen die werden vastgesteld bij onderzoek op 28 juli 2014, terwijl duidelijk en – blijkens het verhandelde ter zitting – niet bestreden is dat de medische situatie in 2014 was verslechterd ten opzichte van
  12. Onder deze omstandigheden wordt het standpunt van het Uwv dat de beperkingen van appellant met ingang van 30 juli 2011 niet zijn onderschat, niet onjuist geacht. 5.
  13. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  14. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december
  15. (getekend) R.E. Bakker (getekend) A.M.C. de Vries GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.