15/7675 WWB Datum uitspraak: 6 december 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 november 2015, 15/1934 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Velsen (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S. Vogelesang en mr. I. van der Worp. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontvangt sinds 28 april 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). 1.2. Nadat in juni 2014 uit Suwinet was gebleken dat appellant recentelijk een auto had aangeschaft, heeft een bijstandsconsulent van de Afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Velsen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit dit onderzoek is gebleken dat appellant meerdere kentekens op naam heeft gehad en in januari en februari 2014 drie auto’s heeft verkocht. Op 3 juni 2014 heeft appellant verklaard dat [naam] (W) hem contant geld gaf om auto’s in te kopen en dat hij de (contante) verkoopopbrengst van de auto’s aan W geeft. Begin 2013 heeft appellant een bedrag van € 8.000,- geleend van W. Verder heeft appellant verklaard dat hij geld van W krijgt of leent om boodschappen te doen. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 14 juli 2014. 1.3. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 15 juli 2014 de bijstand van appellant over januari en februari 2014 herzien (lees: ingetrokken). Daarbij heeft het college tevens aan appellant de verplichting opgelegd om elke maand een rechtmatigheidsformulier volledig ingevuld in te leveren en meegedeeld dat appellant het geld dat hij van W ontvangt dient op te geven. 1.4. Op 25 augustus 2014 is appellant verhuisd naar een andere woning. 1.5. Het college heeft appellant uitgenodigd voor een hercontrolegesprek op 22 oktober 2014. Uit de toen door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat op zijn bankrekening de volgende bedragen afkomstig van W zijn bijgeschreven: op 24 augustus 2014 een bedrag van € 600,- met de omschrijving ‘lenen voor huur nieuw huis’, op 5 september 2014 een bedrag van € 350,- met de omschrijving ‘lenen voor gordijnen vloer’ en op 20 september 2014 een bedrag van € 50,- met de omschrijving ‘lenen voor huur nieuw huis’. Bij brief van 23 oktober 2014 heeft het college appellant vervolgens in de gelegenheid gesteld nader genoemde gegevens te overleggen, waaronder een leenovereenkomst inzake de bedragen die appellant heeft ontvangen van W. Daarop heeft appellant een verklaring van W van 26 oktober 2014 overgelegd, inhoudende dat W aan appellant geld had geleend “en wel 200 euro voor zijn Advocaat en 650 euro voor zijn verhuizing En 75 euro voor de verhuisauto”. 1.6. Bij besluit van 6 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 maart 2015 (bestreden besluit), heeft het college deze geldstortingen als inkomen aangemerkt en deze inkomsten met de bijstand van appellant over november en december 2014 verrekend. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat de bedragen die W aan hem heeft geleend geen terugkerend of periodiek karakter hadden en een specifiek doel dienden, te weten de kosten van de verhuizing. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het doel waarvoor de middelen worden verstrekt niet van belang is. Waar concreet verbonden giften van het middelenbegrip worden uitgezonderd, zou dat eens te meer moeten gelden voor leningen die gerelateerd zijn aan een concreet doel en dus niet bedoeld zijn voor levensonderhoud. Appellant heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:818. Het doel waarvoor de leningen zijn aangegaan, de omvang van de leningen en de omstandigheden waaronder de leningen zijn aangegaan, maken dat in dit geval de leningen niet beschouwd kunnen worden als middel en inkomen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend. 4.2. Volgens artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking komende middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.