16/1912 PW Datum uitspraak: 13 december 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2016, 15/4505 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.A.T. Vijftigschild, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft het college nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november
- Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Yaman. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontvangt sinds 1 juni 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (thans: Participatiewet, PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant huurt een zelfstandige woning op het adres [adres]. Op 27 januari 2015 heeft appellant een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten (witgoed, bankstel, slaapkamer). 1.
- Bij besluit van 23 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit 9 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen. 4.
- Het gaat hier om kosten die, indien zij noodzakelijk zijn, gerekend worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. 4.
- Niet in geschil is dat de onderhavige kosten zich hebben voorgedaan en dat deze noodzakelijk zijn. In geschil is uitsluitend of deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. 4.
- Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, zoals hij aanvoert, in zijn geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW die tot verlening van bijzondere bijstand voor de onderhavige kosten moeten leiden. In het bijzonder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij voor deze kosten niet heeft kunnen reserveren. Volgens vaste rechtspraak is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de PW. De enkele stellingen van appellant dat het college het hem door de uitbetaling van de bijstand te blokkeren onmogelijk heeft gemaakt om te reserveren, dat hij door het bestreden besluit onevenredig zwaar wordt getroffen en dat hij zich hierdoor gediscrimineerd voelt, houden geen stand. Appellant heeft deze stellingen niet onderbouwd. 4.
- Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december
- (getekend) M. Hillen (getekend) L.V. van Donk HD