← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:4834

Datum uitspraak: 16 december 2016 15/3053 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2015, 14/5893 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te Marokko (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft op 17 juni 2015 een herziene beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten en een verzoek om vergoeding van schade ingediend. De Svb heeft geen verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Ingevolge het per 1 juli 2013 inwerking getreden artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van de in dit artikellid genoemde situaties. Naar het oordeel van de Raad bestaat er geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van proceskosten, omdat betrokkene in de hoger beroepsprocedure geen kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De gevorderde portokosten zijn niet als zodanig aan te merken. Het verzoek van appellant om schadevergoeding, dat is ingediend gedurende het hoger beroep als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, wordt opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade. Appellant voert aan dat het voeren van de onderhavige procedure tot ongemakken heeft geleid. Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om een immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak (uitspraak van 21 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC9247) zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0342). In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (uitspraak van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1067). Met de enkele stelling dat de procedure bij appellant ongemakken heeft veroorzaakt, is niet aannemelijk gemaakt dat hij door het bestreden besluit zodanig heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in beroep kan appellant zich rechtstreeks tot de Svb wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af; wijst het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2016. (getekend) T.L. de Vries (getekend) K.R. van Renswoude SS

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.