14/1042 WUBO Datum uitspraak: 29 december 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 februari 2014, kenmerk BZ01665995 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, advocaat, en [naam A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind. Na de zitting is het onderzoek heropend en heeft prof. dr. C.W.R.J. Cremers, KNO-arts, op verzoek van de Raad als deskundige onderzoek verricht en op 10 april 2016 rapport uitgebracht. Appellante en verweerder zijn in de gelegenheid gesteld op deze rapportage te reageren. Partijen hebben laten weten dat de rapportage hun geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 17 november
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ides Peeters. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante heeft in mei 2013 een aanvraag op grond van de Wubo ingediend. Bij besluit van 26 augustus 2013 is op deze aanvraag afwijzend beslist, dit omdat volgens verweerder niet was komen vast te staan dat appellante direct betrokken is geweest bij bombardementen en beschietingen te Moerdijk. 1.
- Appellante heeft tegen het besluit van 26 augustus 2013 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is dit bezwaar deels gegrond verklaard. Erkend is dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld. Haar directe betrokkenheid bij het bombardement op Moerdijk op 17 september 1944 is volgens verweerder nu komen vast te staan. Gehandhaafd is echter het besluit om de aanvraag af te wijzen, dit omdat volgens verweerder geen sprake is van invaliditeit door het oorlogsgeweld. De gehoorklachten van appellante kunnen volgens verweerder, die zich daarbij baseert op een onderzoek van zijn geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, niet het gevolg zijn van het bombardement.
- Appellante heeft in beroep aangedrongen op een gericht medisch onderzoek ter beantwoording van de vraag of haar gehoorklachten aan het bombardement op 17 september 1944 zijn toe te schrijven.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.
- De door de Raad ingeschakelde deskundige Cremers heeft de conclusie van verweerder onderschreven dat het bombardement op 17 september 1944 niet de oorzaak kan zijn van het gehoorverlies van appellante. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gegeven motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De rapportage van Cremers geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er is geen reden waarom de Raad de rapportage niet tot uitgangspunt zou kunnen nemen. In de alsnog ter zitting van de Raad door appellante geplaatste kanttekeningen bij de rapportage is geen grond gelegen om de conclusies van Cremers in twijfel te trekken. Dat het voor appellante moeilijk te aanvaarden is dat noch het bombardement, noch enige andere externe factor als oorzaak van het gehoorverlies valt aan te wijzen, is invoelbaar, maar kan het hier overwogene niet anders maken. 3.
- Appellante heeft naar aanleiding van de rapportage van Cremers nog de vraag opgeworpen of haar gehoorklachten wellicht zouden kunnen samenhangen met een langduriger blootstelling aan lawaai, gedurende het laatste oorlogsjaar, dan enkel de blootstelling als gevolg van het bombardement op 17 september
- Die vraag valt buiten het kader van het bestreden besluit, en dus van dit geding. In dit geding is alleen de vraag aan de orde of de gehoorklachten van appellante aan de op grond van de Wubo aanvaarde calamiteit, zijnde het genoemde bombardement, vallen toe te schrijven. Nu die vraag ontkennend moet worden beantwoord, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december
- (getekend) B.J. van de Griend De griffier is verhinderd te ondertekenen. HD