← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:5165

15/1162 AWBZ Datum uitspraak: 13 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 januari 2015, 14/2292 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft S. van Delden hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april

  1. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door Van Delden. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. RP. Scherer. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant heeft een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Sinds enkele jaren begeleidt Stichting [naam stichting] appellant. Op 24 januari 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode van 7 juli 2011 tot 1 januari 2014 voor de geïndiceerde functie Begeleiding individueel. 1.
  4. Bij besluit van 13 maart 2014 heeft het Zorgkantoor geweigerd om aan appellant een pgb te verlenen voor deze periode. 1.
  5. Bij besluit van 14 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2014 ongegrond verklaard.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Niet gebleken is dat het Zorgkantoor een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan dat over de periode in geding aan appellant een pgb wordt toegekend.
  7. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. 4.
  10. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (CRvB 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1540) slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. 4.
  11. In een mail van 27 februari 2014 heeft [X.] , werkzaam bij het zorgkantoor, aan appellant medegedeeld dat hij over 2014 in aanmerking komt voor een pgb. Verder heeft [X.] meegedeeld dat uit een oogpunt van coulance de kosten die in 2013 zijn gemaakt voor vergoeding in aanmerking kunnen komen indien hiervoor een goede onderbouwing komt. Om in aanmerking te komen voor een pgb voor het jaar 2013 dient er een zorgcontract tussen [naam stichting] en appellant te zijn afgesloten voor het jaar
  12. Verder moet appellant een ondertekende urenverantwoording met onderbouwing van geleverde zorg aanleveren, waarbij is aangetekend dat de zorg gerelateerd moet zijn aan de indicatie. De jaren 2011 en 2012 blijven buiten beschouwing. 4.
  13. Aan de voorwaarden die [X.] in zijn mail heeft gesteld aan toekenning van een pgb voor het jaar 2013, heeft appellant niet voldaan. Appellant heeft geen urenverantwoording met onderbouwing van geleverde zorg overgelegd. De facturen die appellant heeft ingediend zijn hiervoor ontoereikend, nu deze onvoldoende inzichtelijk zijn. De facturen zijn niet gespecificeerd en hieruit kan niet worden afgeleid wanneer de zorg precies is verleend. Verder voldoet de door appellant overgelegde zorgovereenkomst niet aan de eisen die hieraan worden gesteld. Uit de zorgovereenkomst kan niet worden opgemaakt voor welke periode de zorgverlening is overeengekomen. Bovendien bevat de zorgovereenkomst geen dagtekening, waardoor niet blijkt wanneer deze tot stand is gekomen. 4.
  14. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel in dit geval niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli
  16. (getekend) R.M. van Male (getekend) G.J. van Gendt NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.