← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:604

14/6822 WWB Datum uitspraak: 23 februari 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 november 2014, 13/6139 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Roozemond. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.P. Ebbinge. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant ontvangt sinds 3 april 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Met het oog op zijn arbeidsinschakeling heeft appellant een traject bij (A&E)² gevolgd. 1.
  4. In verband met gedragingen van appellant tijdens en na een gesprek op 13 februari 2013 bij (A&E)², heeft het college bij besluit van 11 april 2013 appellant bij wijze van maatregel een waarschuwing gegeven. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. 1.
  5. Bij besluit van 25 april 2013 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant eenmalig verlaagd met € 300,- op de grond dat appellant niet of niet voldoende meewerkt aan activiteiten die zijn kansen op werk vergroten. Bij de vaststelling van de hoogte van de maatregel is het college uitgegaan van recidive in verband met de in 1.2 bedoelde maatregel. 1.
  6. Appellant heeft bij een op 20 augustus 2013 gedateerd bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 april
  7. 1.
  8. Bij besluit van 26 september 2013 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2013 gedurende een maand verlaagd met 100% op de grond dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. 1.
  9. Bij besluit van 5 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2013 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd, voor zover thans nog van belang, dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 25 april 2013 niet binnen de termijn van zes weken is ingediend en dat appellant geen redenen heeft aangevoerd op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
  10. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. Uit de brief van 18 december 2013 van de huisarts van appellant blijkt weliswaar dat appellant sinds 10 juni 2011 psychische klachten heeft waarvoor hij onder behandeling is bij een psychiater, maar niet dat deze klachten zodanig waren dat appellant niet in staat was zijn belangen te (laten) behartigen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van die klachten niet in staat was tijdig een bezwaarschrift te kunnen (laten) indienen.
  11. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  12. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  13. Gelet op het verhandelde ter zitting is het geschil tussen partijen beperkt tot de vraag of de rechtbank het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2013 terecht ongegrond heeft verklaard. 4.
  14. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 25 april
  15. Appellant heeft echter aangevoerd dat dit door psychische klachten is gebeurd. Daarvoor verwijst appellant naar de rapportage van verzekeringsarts J. Kuckelkorn (Kuckelkorn) van 6 mei 2013, naar de brief van zijn huisarts van 18 december 2013 en naar de rapportage van Amfors Werksupport van 19 februari
  16. 4.
  17. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld, zoals samengevat weergegeven in 2, dat appellant met de brief van de huisarts van 18 december 2013 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van zijn psychische klachten niet in staat was tijdig een bezwaarschrift in te (laten) dienen. Daarbij komt dat uit de rapportage van verzekeringsarts Kuckelkorn van 6 mei 2013 en de rapportage van Amfors Werksupport van 19 februari 2014 evenmin blijkt dat de in deze rapportages vermelde psychische klachten van appellant van zodanige aard waren dat hij niet in staat was tijdig bezwaar te maken of daartoe iemand anders in te schakelen. 4.
  18. Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
  19. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari
  20. (getekend) W.H. Bel (getekend) R.G. van den Berg HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.