← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:648

13/6965 WUV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer In het geding tussen: Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) Datum uitspraak: 25 februari 2016 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 december 2013, kenmerk BZ01652853 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari

  1. Appellante is verschenen, met bijstand van mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, geboren in 1934 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft in december 2012 verzocht om op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv te worden gelijkgesteld met de vervolgde vanwege het omkomen van haar vader tijdens de Japanse bezetting. Op dit verzoek is bij besluit van verweerder van 17 juli 2013 afwijzend beslist op de grond dat niet is komen vast te staan dat de vader van appellante ten gevolge van vervolging is omgekomen. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. 1.
  3. Van de zijde van appellante is met name aangevoerd dat het aanmerken van de vader van appellante als oorlogsslachtoffer in het kader van een rehabilitatie-uitkering en hetgeen over haar vader bekend is bij appellante en andere familieleden, voor verweerder aanleiding had moeten zijn om aan te nemen dat hij door vervolging is omgekomen. 1.
  4. Verweerder heeft betoogd dat op geen enkele wijze is gebleken dat de vader van appellante door vervolging is omgekomen. Uit de beschikbare gegevens, waaronder dossiers van twee broers van appellante, blijkt eerder dat de vader in juli 1942 is overleden als gevolg van ziekte. Dat die ziekte een gevolg was van mishandeling is niet bevestigd. 2.
  5. De Raad kan verweerder hierin volgen. Dat het overlijden van de vader van appellante is veroorzaakt door vervolging is niet komen vast te staan. Appellante vermeldde ten behoeve van het opmaken van het sociaal rapport destijds dat haar vader nog voordat hij zou zijn verscheept naar Thailand wegens een ernstige ziekte is vrijgelaten en dat hij een week later is overleden als gevolg van een ernstige leveraandoening, mogelijk ontstaan na een zware mishandeling. Er zijn echter geen gegevens die deze zware mishandeling bevestigen. Het toekennen van een rehabilitatie-uitkering maakt dat niet anders, nu niet wordt voldaan aan de voorwaarden om de vader van appellante als vervolgde in het kader van de Wuv aan te merken. Verweerder heeft voldoende onderzoek gedaan, nu relatiedossiers zijn geraadpleegd en informatie is ingewonnen bij het Nederlandse Rode Kruis en de Oorlogsgravenstichting. 2.
  6. Gezien hetgeen onder 2.1 is overwogen, wordt het beroep ongegrond verklaard.
  7. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en C.H. Bangma en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari
  8. (getekend) A. Beuker-Tilstra (getekend) M.S. Spek HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.