← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2016:716

14/3893 AWBZ Datum uitspraak: 2 maart 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 juni 2014, 13/839 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld. Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 15/3835 AWBZ plaatsgevonden op 9 december

  1. Namens appellant is verschenen mr. Tracey. Verder is verschenen [H.]. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Boot. In de zaak 15/3835 AWBZ is afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 17.656,
  4. 1.
  5. Bij besluit van 22 maart 2013 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2012 vastgesteld. Daarbij is overwogen dat aan appellant een pgb van € 17.656,82 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 264,85 geldt en dat van de door appellant ingezonden verantwoording een bedrag van € 8.995,51 wordt geaccepteerd. Dit betekent dat van appellant een bedrag van € 8.396,46 wordt teruggevorderd. 1.
  6. Bij besluit van 24 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2013 ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat hij niet het gehele voor 2012 verleende pgb heeft ontvangen. Hij heeft slechts € 9.275,74 aan voorschotten ontvangen. Dit was niet genoeg om alle zorgverleners het hele jaar te betalen. Appellant kan het bedrag dat het Zorgkantoor terugvordert niet terugbetalen, omdat hij het niet heeft ontvangen.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Bij besluit van 26 maart 2012 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2011 vastgesteld en een bedrag van € 8.381,08 van appellant teruggevorderd. In dit besluit is het volgende vermeld: “Als u een bedrag moet terugbetalen dan krijgt u van ons een acceptgiro of dit bedrag wordt verrekend met het eerstvolgende voorschot.” Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Vastgesteld wordt dat het Zorgkantoor het bedrag van de terugvordering over 2011 heeft verrekend met de bevoorschotting van het pgb over
  11. Hierdoor heeft appellant van het voor 2012 toegekende bedrag per saldo een bedrag van € 9.275,74 ontvangen. 4.
  12. De Raad volgt het standpunt van appellant dat hij als gevolg van de verrekening van het pgb over 2012 minder geld heeft ontvangen, waardoor hij het pgb niet volledig heeft kunnen verantwoorden, niet. Vast staat dat aan appellant voor het jaar 2012 een pgb van in totaal € 17.656,82 is verleend voor zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Dat appellant een deel van het verleende pgb niet heeft besteed aan zorg, maar aan het voldoen van een schuld aan het Zorgkantoor, ontslaat hem niet van de verplichting om ook de besteding van dat deel te verantwoorden met gemaakte kosten van zorg. Dat appellant onvoldoende financiële middelen heeft, doet daaraan niet af en dient bij afweging van de betrokken belangen voor zijn rekening en risico te blijven. 4.
  13. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  14. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart
  15. (getekend) H.J. de Mooij (getekend) M.S.E.S. Umans AP

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.