14/3347 WW Datum uitspraak: 17 maart 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 april 2014, 13/4376 (aangevallen tussenuitspraak) en tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2014, 13/4376 (aangevallen einduitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) [naam stichting] te [vestigingsplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. R.A. Beers een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2016. Voor appellant is verschenen mr. D. de Jong. Betrokkene heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Visser, advocaat, mr. Beers en Th.H.J. Beening. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene is overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onder i, van de Werkloosheidswet (WW). [X.] (werkneemster) is tot 1 januari 2012 werkzaam geweest bij betrokkene. 1.2. Appellant heeft bij besluit van 21 februari 2012 werkneemster met ingang van 20 januari 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW. 1.3. Betrokkene heeft op 9 januari 2013 een zogenoemde melding verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject aan appellant doen toekomen. Daarin is melding gedaan van het feit dat werkneemster weigert informatie te geven die het re-integratiebedrijf nodig heeft. Door deze informatie niet te verstrekken zou werkneemster niet meewerken aan het bevorderen van de inschakeling in de arbeid. 1.4. Bij besluit van 26 februari 2013 heeft appellant betrokkene bericht in de gedane melding geen aanleiding te zien om werkneemster een maatregel op te leggen. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij heeft gesteld dat het opvragen van een overzicht van de activiteiten met betrekking tot alle verplichtingen die zijn opgelegd (waaronder de sollicitatieplicht) wel degelijk een onderdeel is van de uitvoering van de taak zoals genoemd in artikel 72a van de WW. 1.5. Bij besluit van 30 mei 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 februari 2013 ongegrond verklaard en het verzoek om schadeloosstelling afgewezen. Appellant heeft vastgesteld dat Randstad HR Solutions (Randstad) ten tijde van de melding verantwoordelijk was voor de re-integratie van werkneemster. Voor Randstad heeft er geen aanleiding bestaan de re-integratie-inspanningen van werkneemster als onvoldoende te betitelen. Volgens appellant was werkneemster niet gehouden informatie aan betrokkene te verstrekken over haar re-integratieactiviteiten. 2.1. De rechtbank heeft met de aangevallen tussenuitspraak appellant in de gelegenheid gesteld om het door de rechtbank geconstateerde gebrek in de besluitvorming binnen twee maanden te herstellen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het geval de overheidswerknemer de werkgever geen of ontoereikende informatie geeft, dat gegeven op zichzelf niet leidt tot een schending van zijn verplichtingen ingevolge de WW. Omdat de overheidswerkgever aldus ernstig wordt belemmerd in zijn mogelijkheden om feiten te verzamelen die aanleiding zouden kunnen zijn voor een besluit tot intrekking of herziening van de uitkering, dient appellant in zodanig geval na een melding ex artikel 5.17, derde lid, van het Besluit SUWI te onderzoeken of de betrokken werknemer aan zijn verplichtingen uit hoofde van de WW heeft voldaan - de kwalitatieve aspecten van de sollicitatieplicht daaronder begrepen - en ter zake een besluit te nemen. Met het volstaan met een summier onderzoek en door zich bij de besluitvorming voornamelijk te baseren op een mededeling van de kant van Randstad, heeft appellant onvoldoende invulling gegeven aan de op hem rustende onderzoeksplicht. Appellant had, gelet op het feit dat werkneemster weigerde haar ex-werkgever informatie te verschaffen over de door haar verrichte sollicitatieactiviteiten, zelfstandig dienen te onderzoeken of sprake was van een schending van artikel 24, eerste lid, aanhef en b, ten eerste, van de WW. Volgens de rechtbank is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en kan het niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. 2.2. Appellant heeft geen aanleiding gezien het door de rechtbank vastgestelde gebrek te herstellen. Op grond van de door Randstad verstrekte informatie is niet in te zien op welke wijze werkneemster niet zou hebben meegewerkt aan haar re-integratie. 2.3. Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. 3.1. Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak. Volgens appellant heeft hij - gelet op de afspraken zoals vermeld in de Werkwijzer ‘artikel 72a WW’ - op juiste wijze invulling gegeven aan de onderzoeksplicht en is hij op goede gronden tot de conclusie gekomen dat werkneemster aan haar verplichtingen heeft voldaan. 3.2. Volgens betrokkene miskent appellant dat zij - naast het inkopen van een re-integratietraject bij Randstad voor werkneemster - eveneens [de B.V.]. ([de B.V.]) heeft ingeschakeld in het kader van de uitvoering van de taak die is neergelegd in artikel 72a WW en dat het ene traject het andere traject niet uitsluit, maar dat ze elkaar juist aanvullen. Nu werkneemster geen informatie met betrekking tot haar sollicitatie-activiteiten aan [de B.V.] heeft gestuurd was het voor [de B.V.] onmogelijk om namens betrokkene de re-integratietaak, het beoordelen en toetsen van de kwalitatieve sollicitatieplicht, te vervullen. Betrokkene wordt zo ernstig belemmerd in de mogelijkheid om feiten te verzamelen die aanleiding zouden kunnen zijn voor een besluit tot intrekking of herziening van de uitkering. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. Op grond van artikel 72a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW heeft de overheidswerkgever tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van een persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer met die overheidswerkgever recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk II. 4.1.2. Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW is de werknemer verplicht mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid, bedoeld in de hoofdstukken VI en XA. 4.1.3. Op grond van artikel 27, derde lid, van de WW weigert appellant - voor zover van belang - de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 26 van de WW. 4.1.4. Op grond van artikel 5.17, derde lid, van het Besluit SUWI kan een overheidswerkgever appellant op verzoek of uit eigen beweging kennis geven van het gegronde vermoeden dat een persoon van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd, onvoldoende medewerking verleent aan deze werkzaamheden, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de WW door appellant. 4.2.1. Een overheidswerkgever die met een melding als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, van het Besluit SUWI wil bereiken dat appellant de uitkering van een voormalig werknemer verlaagt of intrekt, dient gerede twijfel over de aanspraak op die uitkering naar voren te brengen. De overheidswerkgever wordt hierdoor niet in een onmogelijke bewijspositie geplaatst, omdat hij bij de uitoefening van zijn taak om de werkloos geworden werknemer te re-integreren in passende arbeid, bekend kan worden met feiten op grond waarvan hij zich een opvatting kan vormen over een mogelijk niet nakomen door zijn voormalig werknemer van uit de WW voortvloeiende verplichtingen. Deze benadering gaat uit van de vooronderstelling dat de overheidswerkgever actief invulling geeft aan zijn re-integratietaak en in dat verband een plan opstelt, waar nodig begeleiding verzorgt, contact onderhoudt en tot informatie-uitwisseling met de voormalig werknemer komt. Een overheidswerkgever die zo invulling geeft aan zijn re-integratietaak kan dezelfde gegevens verkrijgen als appellant kan verkrijgen bij de uitoefening van zijn wettelijke taak (ECLI:NL:CRVB:2014:594; ECLI:NL:CRVB:2015:1842). Dit is alleen anders indien deze overheidswerkgever aannemelijk heeft gemaakt dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.