14/4114 WMO Datum uitspraak: 9 maart 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 juni 2014, 13/2124 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L. Proenings, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Nadat mr. E.H.J. van Gerven, advocaat, zich bij brief van 13 februari 2015 als opvolgend gemachtigde heeft gesteld, heeft appellante nogmaals stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari
- Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar [echtgenoot X.], mr. Van Gerven en mr. M. Peeters. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.T.M. Brouns, mr. H. van Loo en mr. V.P.A. Dassen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Aan appellante is voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden toegekend. 1.
- Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college het aan appellante toekomende pgb voor hulp bij het huishouden voor 2012, overeenkomstig hetgeen zij op 9 januari 2013 aan het college heeft opgegeven, berekend op € 2.652,-. Het college heeft hierbij een bedrag van € 356,88 van appellante teruggevorderd. 1.
- Bij besluit van 29 mei 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 februari 2013 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij eerst bij brief van 11 januari 2013 op de hoogte is gebracht dat zij een nabetaling van € 371,71 aan pgb voor het jaar 2012 ontvangt. Appellante wist niet dat zij recht had op dit bedrag en zij heeft in 2012 dit bedrag dus niet kunnen uitgeven en verantwoorden. Daar komt bij dat het bedrag geen pgb betreft en appellante hierover dus ook geen verantwoording hoeft af te leggen.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat slechts het als werkelijk betaalde kosten verantwoorde bedrag voor goedkeuring in aanmerking komt. Appellante heeft niet betwist dat zij over 2012 een bedrag van € 2.652,- heeft verantwoord. In hetgeen door appellante over de nabetaling is aangevoerd, heeft het college geen aanleiding hoeven zien om de belangenafweging anders te laten uitvallen. 4.
- Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Adamsson als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart
- (getekend) R.M. van Male (getekend) M.A.E. Adamsson UM