15/8532 WMO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2015, 15/1839 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 29 maart 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/8532, 15/7810, 15/7811, 15/7468, 16/4629 en 14/4753 heeft gevoegd plaatsgehad op 15 maart
- Namens appellant is verschenen mr. W.G. Fischer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T. ’t Jong. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen. 1.
- Op 28 februari 2014 heeft appellant een aanvraag gedaan om opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). 1.
- Bij besluit van 24 november 2014 heeft het college bepaald dat de reeds aan appellant toegekende bijdrage uit het gemeentelijke Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV) van € 450,- per maand, op grond van de Wmo wordt toegekend. 1.
- Bij besluit van 26 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 november 2014 ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij overwogen dat de toekenning van € 450,- per maand is gebaseerd op het beleid en dat geen aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken. Over de duur van de vergoeding heeft het college overwogen dat appellant aanspraak blijft houden op de vergoeding zo lang hij voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder verwijzing naar het koppelingsbeginsel en op de grond dat geen sprake is van een schending van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het college heeft aan appellant onverplicht een bijdrage verstrekt uit het FGV.
- Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Vast staat dat appellant tijdens de periode in geding een bedrag van € 450,- per maand heeft ontvangen voor kosten van onderdak en levensonderhoud. De Raad begrijpt het bestreden besluit als een weigering van het college om de reeds geboden opvangvoorziening van € 450,- te verhogen. 4.
- Nog daargelaten de vraag of het college op grond van artikel 8 van het EVRM en de mate van kwetsbaarheid van appellant verplicht is om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo te verstrekken, geldt dat, zo hiervan wel sprake is, het bedrag van € 450,- dat is toegekend in ieder geval toereikend is. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 25 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX
- 4.
- Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden van het hoger beroep wordt niet toegekomen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart
- (getekend) H.J. de Mooij (getekend) M.S.E.S. Umans KP