16/4071 WSF Datum uitspraak: 10 mei 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 mei 2016, 15/4414 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari
- Appellant is vertegenwoordigd door mr. Bakker. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft in het verleden studiefinanciering ontvangen. Daaruit is een studieschuld ontstaan die door hem moet worden terugbetaald. 1.
- Bij besluit van 1 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 19 juni 2015 gehandhaafd. Bij dat besluit heeft de minister de verzoeken van appellant tot verlaging van het maandbedrag dat appellant over de jaren 2005 tot en met 2011 heeft moeten aflossen en tot kwijtschelding van zijn studieschuld afgewezen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) niet voorziet in de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen om de draagkracht voor een periode in het verleden vast te stellen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat appellant verkeert in een situatie waarin de minister kwijtschelding toepast of in een daarmee gelijk te stellen situatie. De minister heeft volgens de rechtbank dan ook kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule.
- Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de minister zijn verzoek tot kwijtschelding of verlaging van zijn studieschuld ten onrechte heeft afgewezen. Appellant heeft hiertoe aangevoerd dat hij Nederland in 1995 heeft verlaten, dat hij in verband met een zwervend bestaan nauwelijks inkomsten heeft gehad en dat hij medische problemen heeft. Volgens appellant is hij dan ook niet in staat om zijn studieschuld nog af te lossen.
- De Raad oordeelt als volgt. 4.1.
- De Wsf 2000 voorziet slechts in kwijtschelding van de studieschuld bij het einde van de aflosfase en bij het overlijden van de debiteur. De minister voert met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid waarin staat dat ook kwijtschelding wordt verleend indien: a. de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden; b. de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt; c. de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie uitzichtloos is; d. de debiteur die ernstig (geestelijk) gehandicapt is. 4.1.
- Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraken van 10 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR8524 en 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1421) is het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk. 4.
- De minister heeft, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, terecht de conclusie getrokken dat de situatie waarin appellant zich bevindt niet valt onder één van de in het beleid omschreven situaties. Appellant heeft gedurende de procedure geen (medische) gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat hij wel onder één van de in het beleid omschreven situaties valt. 4.
- De omstandigheden van het geval kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die (voor appellant) onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Voor een verdergaande afwijking dan in het beleid omschreven bestaat dan ook geen aanleiding. 4.
- Voor zover appellant heeft beoogd om een draagkrachtmeting aan te vragen over een periode in het verleden, staat artikel 10a.7 van de Wsf 2000 daaraan in de weg. Draagkrachtmeting voor reeds vervallen termijnen is niet mogelijk. 4.
- Uit wat is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei
- (getekend) J. Brand (getekend) I.G.A.H. Toma TM