← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2017:1735

158173 PW Datum uitspraak: 9 mei 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 november 2015, 15/5663 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter zitting op 28 maart 2017 aan de orde gesteld. Partijen zijn met bericht niet verschenen. OVERWEGINGEN

  1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  2. Appellant heeft op 13 februari 2015 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Participatiewet. 1.
  3. Ter beoordeling van de aanvraag heeft het college bij brief van 16 maart 2015 appellant verzocht vóór 30 maart 2015 ontbrekende gegevens in te leveren, waaronder afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen, geregistreerd op naam van appellant, met alle bij- en afschrijvingen vanaf 1 januari 2015 tot en met heden met het meest recente saldo. Daarbij is appellant erop gewezen dat het niet voldoen aan het gevraagde kan leiden tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag. Op 30 maart 2015 heeft appellant een aantal gegevens ingeleverd. 1.
  4. Bij besluit van 10 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt. Er ontbreken onder meer afschriften van een tweetal en/of-spaarrekeningen.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  6. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarvoor de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 4.
  9. Vaststaat dat appellant niet binnen de gegeven hersteltermijn de bij brief van 16 maart 2014 gevraagde bankafschriften van alle op zijn naam gestelde bankrekeningen heeft overgelegd. Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 4.
  10. Anders dan appellant heeft gesteld, was het college niet gehouden om de reeds bekende op naam van appellant gestelde bankrekeningen concreet te vermelden in de brief van 16 maart
  11. Het ligt immers in de eerste plaats op de weg van degene die om bijstand verzoekt alle gegevens, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, over te leggen. Het college heeft kunnen volstaan met het verzoek om bankafschriften van alle bankrekeningen op naam van appellant vanaf 1 januari
  12. Dit verzoek is, anders dan appellant meent, voldoende duidelijk en specifiek. 4.
  13. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet in staat was om binnen de gestelde hersteltermijn over deze gegevens te beschikken. De enkele stelling van appellant dat het bestaan van de twee en/of-spaarrekeningen hem was ontgaan en dat hij daar verder geen bemoeienis mee had, is onvoldoende. 4.
  14. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college bevoegd was om de aanvraag om bijstand van 13 februari 2015 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken. 4.
  15. Uit 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei
  17. (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) L.L. van den IJssel HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.